Reflectie1(3).vp

Kerstmis en de mensen van goede wil + Frank den Outer Toen Jezus geboren was, werden ‘s nachts herders in Palestina overvallen door een groot licht van lichtende engelen die hun iets leken te zeggen in woorden als: Vandaag is u de Heiland geboren: Christus, de gezalfde van de Allerhoogste. Ere zij God en vrede op aarde onder de mensen van goede wil — Lc 2:11;14 Dat was 2000 jaar geleden. En we zingen al eeuwen lang in het ‘Gloria in excelsis’ over ‘Vrede op aarde onder de mensen van goede wil’. Het hemelse licht, dat de herders ervoeren, was er altijd al en is er sindsdien, hoewel wij - wezens in tijd en ruimte - het in ruimte en tijd plaatsen: in de kerstnacht. Te- recht, want het is een heilige nacht, waarin de zoon van God, met de glans van de heerlijkheid van God, de aarde verlicht. Het is het licht waar de mens in deze overgangstijd in toene- mende mate gevoelig voor lijkt te worden! Dàt we in een overgangstijd leven, daar zijn velen van overtuigd, maar zal pas veel later, terugkijkend, al of niet zo blijken te zijn. Toch wijzen daarop de grote en snelle verande- ringen op wereldschaal in de samenleving van mensen uit ver- schillende culturen en vanuit verschillende religieuze achtergrond. En in de mens zelf en op kleine schaal, onderling tussen de mensen, kunnen we misschien wel spreken over een ware transformatie die in deze tijd lijkt plaats te vinden, als de geboorte van iets nieuws De voorbode van deze al of niet vermeende overgangstijd zagen we in het Westen al sinds eeuwen gebeuren door ingrij- pende veranderingen, die het leven van de enkeling openen naar het grote geheel. Het is als een inwijding, als een geboor- te in een ruimer perspectief. Hoewel bij zo’n nieuwe geboorte de mens nooit God kan bevatten, kan het wel ten dele gebeu- ren, in fragmenten, ook in de tijd gezien – het overvalt en ont- glipt de mens weer. En die verzucht, wanneer zoiets gebeurt, in extase Alle dingen zijn mi te inge; ik ben zo wijd.’ Het zijn de woorden van de Nederlandse Middeleeuwse mystica Hade- wijch (ca. 1250). Het bijzondere is nu, dat het proces dat zich in vroegere tij- den in het leven van de enkeling voltrok, zich nu meer en meer voltrekt, en in hoog tempo, in het leven van de delen van de mensheid. Bovendien wordt die weg van inwijding die de mens in het verleden ging, en die leidde tot een nieuwe ge- boorte, nu niet meer uitsluitend gegaan in afzondering, maar midden in de samenleving. Dèze grote en snelle veranderingen van de huidige tijd, die we gelukkig als vernieuwing kunnen zien, gaan vaak gepaard met een grote mate van onrust en verwarring, van leed en angst. Maar daarnaast óók met een bijna mondiale golf van het geweld en het kwaad. Zou dit alles – dus ook, als reactie daarop, geweld en kwaad - iets te maken kunnen hebben met het licht van Chris- tus dat de aarde meer en meer lijkt te doordringen? Christus immers is een wezen gekleed in een stralend en schitterend licht, zoals 2000 jaar geleden al bleek bij zijn verheerlijking op de berg Tabor. Hij verlicht diegenen die voor dat licht gevoe- lig zijn, maar maakt diegenen die de duisternis liever hebben, angstig en agressief. Verlichting – in andere denkwijze spreken we dus van inwij- ding – maakt de mens wijs, liefdevol en mededogend; maar de angst en agressie die bij anderen opkomen, hebben vaak dat ge- weld tot gevolg. Licht verwarmt, schenkt nieuwe krachten, nieu- we gevoeligheid voor God en het mysterie, voor het heilige en voor de kostbaarheid van de aarde. Die verlichting of inwijding maakt ook ontvankelijk voor een innerlijke, woordeloze leiding die ons leven stuurt en ons ontvankelijk maakt voor de liefde, die van Christus uitgaat. Dàt vermogen van ontvankelijkheid wordt geboren in de mensen. En dat is niet onmogelijk. Immers, de mens is geboren uit aarde en uit geest, is een wezen van he- mel en aarde, is drager van een lichtkracht waar hij mee in con- tact kan komen, ook al is het dan nog een sluimerende kracht. De mens leeft tegelijk op aarde en in de geestelijke wereld; de mate waarin dat gebeurt in die beide, door een sluier gescheiden werelden, verschilt sterk van mens tot mens. Zal die sluier die onze aardse werkelijkheid vaak zo herme- tisch afgesloten houdt, nu door het geestelijke licht doorzichtig worden? En zal die sluier uiteindelijk geheel verdwijnen? Dan is de aarde een deel van de wereld van God – het is het Koninkrijk der Hemelen – en de dan nieuwe mens ziet in ieder gezicht het gezicht van God, zoals nu op volmaakte wijze Christus het ‘naar de mens gekeerde gelaat van God’ is. Wat een utopie, zult u denken, wat een onmogelijk visioen! Ja, toegegeven, maar een schitterend visioen als dit kan ook bijdragen tot verwerkelijking van zo’n ideaal beeld in de toekomst. De verzuchting van Hadewijch dat ‘alle dingen mi te inge zijn’ is dan geen verzuchting meer, omdat de mens ‘zo wijd’ is geworden. Maar het zal ieder van ons duidelijk zijn, dat dit nog maar voor een zeer, zeer beperkt deel van de mensheid geldt; de tegenwerkende krachten, collectief en in ieder van ons, zijn er ook. Want de kracht van verlichting brengt ook het kwaad aan het licht: dat wordt in volle omvang zichtbaar, het krijgt óók een gezicht en verzet zich daartegen. De aanblik van het kwaad – direct of indirect via de media – verbijstert ons en werkt verlammend. Maar die verbijstering moet plaats maken voor mededogen, voor barmhartigheid. Dit lijkt de énige mogelijkheid om uit de vicieuze cirkel te gera- ken van het ‘kwaad met kwaad vergelden’, een cirkel die de mensheid anders gevangen blijft houden. Die uitweg uit die gevangenschap in de vicieuze cirkel wordt getoond en groots verwoord in een gebed van een Jood- se gedeporteerde. Het is een weg die niet veroordeelt, maar die leidt tot het bevrijdende licht van de nieuwe geboorte. We zou- den dan in het ‘Gloria in excelsis’ niet alléén vrede aan de ‘mensen van goede wil’ moeten wensen. Dat gebed*) luidt als volgt: 16 Reflectie 1(3), december 2004

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=