Reflectie1(3).vp
Engelen en mensen Johan Pameijer Met een strak gezichtje staarde mijn driejarige kleindochter naar een plekje linksboven het al- taar. Onafgebroken en zonder met haar ogen te knipperen bleef ze kijken. “Wat zie je daar?” vroeg oma nieuwsgierig. Bijna toonloos ant- woordde het kind: “Die engel. Hij zwaait naar me.” Nog onbedorven en niet beïnvloed door de vooroordelen van de grote mensen commu- niceerde zij met een onzichtbaar wezen. Mijn kleindochter is nu eenentwintig en ze is het voorval vergeten, maar in ons geheugen staat het gegrift. “Hij zit daar altijd,” had ze nog op- gemerkt. Een kindengeltje, bolle wangen, blauwe ogen en gazen vleugels, linksboven het altaar. Zou het waar zijn? Zelf herinner ik mij een ontmoeting met een totaal andere engel. Verdwaald in een woest berglandschap zag ik hem plotse- ling te voorschijn komen, een gentleman in stemmig zwart, mid- den veertig. Radeloos stonden we met onze huurauto op een ezelpad vol kuilen en vervaarlijke steenslag. Links de steile rots- wand, rechts de afgrond. Enkele verroeste autowrakken waren stille getuigen van tragische buitelingen. Nergens een boom of struik, alleen rotsen en een grauwe hemel waaruit het regende. Toch dook een soort boomgaard zomaar uit de steenmassa op. Springend van rots naar rots overbrugde ik de paar honderd meter die ons van het wonder scheidden en daar ontmoette ik een Spaanse boswerker. Helaas verstonden wij elkaar niet. Toen na- derde hij, de gentleman, strak in het pak. Geluidloos kwam hij tussen de boompjes vandaan en vertelde mij in keurig Engels hoe wij in de bewoonde wereld konden terugkeren. Maar nu het vreemde. Vanuit de auto had mijn vrouw geen spoor van een boomgaard gezien. Van een afstand zag zij mij tussen de kale rotsen in gesprek met de boswerker, maar de Engelsman had ze niet opgemerkt. Voor haar was hij er hele- maal niet. Met wie had ik dan gesproken? Wat doet een goed gesoigneerde Brit in een verlaten boomgaard midden in een maanlandschap? Nog steeds durf ik nauwelijks hardop te zeg- gen wat ik denk. Was hij werkelijk de engel die onverwachts en meestal in kritieke situaties op je pad komt? Legio verslagen getuigen van reddende engelen. In de meest uiteenlopende vermommingen verschijnen ze. Tijdens de Eerste Wereldoorlog sloeg een Duitse eenheid op de vlucht voor de naderende Engelsen, aangevoerd door een ontzaglijke ruiter te paard, en in de Zesdaagse oorlog was het een ufo, die de Egyp- tische belagers van een Israëlisch legerkamp de stuipen op het lijf joeg. Een huisvader slaagde erin een picknickende familie die door belhamels werd overvallen te fotograferen. Plotseling en zonder kwaad te stichten kozen de aanvallers het hazenpad. Op de ontwikkelde foto was de oorzaak duidelijk zichtbaar. Tussen de geschrokken familieleden stond een grote, zwaarge- bouwde krachtpatser. Opnieuw een engel in vermomming. En nu de vraag die met de kerstdagen actueel is. Zijn dit dezelfde engelen die zongen boven de velden van Effatha? Een pedant ongeloof Engelen stellen ons voor raadsels. Inmiddels zijn er honderden bloemlezingen met getuige- nissen over hun ingrijpen in bedreigende situa- ties. Talrijke intelligente mensen geloven onvoorwaardelijk in hun aanwezigheid. En toch ontglippen ze aan iedere poging tot bewijsvoe- ring. Terecht gaf Nederlands enige wetenschap- pelijke angeloog aan zijn cultuur-historische studie “Over de goede engelen” de ondertitel “De ontmaskering van een pedant ongeloof”. De Haarlemse huisarts H.C. Moolenburg, die wereldwijde bijval oogstte met zijn bestsel- ler over engelen, ging ondanks valse schaamte en hartkloppingen voort met het bevragen van zijn patiënten naar hun eventuele ervaringen met engelen. Zonder zich ervan bewust te zijn doorbrak hij een taboe. Plotseling mocht er weer openlijk – en niet alleen in de kerk – over engelen worden ge- sproken. Voor schaamte was geen reden, want het vertellen over hun ervaringen bleek een enorme opluchting voor de on- dervraagden. “De hemel staat op doorbreken” kopte een ver- slaggever in het kerstnummer van 1999 in De Telegraaf. Onopvallend en in aangepaste vorm duiken ze op, de wezens uit het rijk van het Licht. En wij aan deze kant van de muur voelen ons bijgestaan, ondersteund en gered door engelen, die zich door geen enkel wetenschappelijk onderzoek laten betrappen. Zelfs de klemmende vraag hoe zij eruit zien blijft onbeantwoord. Engelen vertonen zich in de gedaante die past bij onze ver- wachting. Mijn kleindochter zag de engel in zijn meest kinder- lijke vorm, terwijl hij mijn vertrouwen won in zijn oer-Britse uitmonstering. In het heetst van de oorlog was hij een impone- rende ruiter op een galopperend paard, terwijl de Egyptische strijders hem ontmoetten als vliegende schotel. Ons brein kneedt hem in een passend model. Zonder twijfel zijn wij de onbewuste scheppers van hun uitmonstering, maar leveren zij de energie die dit mogelijk maakt. Hoofd in de hemel Ook de geestelijke Jezus verscheen in uiteenlopende gedaanten aan zijn discipelen. Het befaamde boek der Handelingen van Jo- hannes uit de apocriefe traditie meldt tientallen verschillende vermommingen van de Heer. Jacobus, de broer van Johannes, zag hem als kind aan de oever van een rivier, maar Johannes ontwaarde een welgevormde man met opgewekt gezicht. Bij een andere gelegenheid vertoonde hij zich met een kaal hoofd en een dikke golvende baard, terwijl een andere waarnemer juist een baardloze jongeman zag. Soms was hij klein en lelijk, een andere keer reikte zijn lengte tot aan de hemel. Vaak omvatte hij zijn discipelen met zijn hele wezen. Beurtelings voelde hij zacht en week aan en dan weer hard als steen. Johannes schreeuwde het uit van schrik toen, hij hem ont- bloot zag verschijnen met voeten die de grond onder hem ver- 20 Reflectie 1(3), december 2004
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=