Reflectie1(3).vp
Ik denk bij het fijnstoffelijk lichaam in eerste instantie aan de ervaringen die men ‘uittreding’ noemt. Daarbij beleven mensen dat ze door een muur heengaan, of dat ze met hun hand door de vloer heen kunnen. Ze voelen die muur of vloer wel degelijk. In zulke ervaringen wordt dikwijls ook een lichaam waargenomen. Dat wordt fijnstoffelijk genoemd om- dat het zich anders gedraagt dan het bekende fysieke lichaam. Zowel in Oosterse leren als in Westerse esoterie bestaan opvattingen waarin de mens één of meer fijnstoffelijke licha- men bezit. Daar wordt gesproken over reizen in een fijnstoffe- lijk lichaam en over hoe die reizen je in contact kunnen brengen met domeinen van de werkelijkheid die je anders ont- gaan. Ook wordt daar gesproken over de relatie tussen fijnstof- felijke lichamen en ziekte en gezondheid. Voor BDE’rs is het interessant zich daarin te verdiepen, omdat in Oosterse leren en Westerse esoterie aanknopingspun- ten gevonden kunnen worden voor wat zij in hun BDE ervaren hebben. De Nederlandse filosoof Poortman heeft een meerde- lig standaardwerk ‘Ochêma Geschiedenis en zin van het hy- lisch pluralisme’, geschreven. Hylisch pluralisme betekent stoffelijke meervoudigheid. Zijn studie gaat over de ideeënge- schiedenis op het gebied van het fijnstoffelijk lichaam. Hein van Dongen en ik hebben met ons boek ‘Het voertuig van de ziel’ een leemte in die studie opgevuld en aangevuld met onder- zoeksgegevens waar Poortman toen nog niet over beschikte. Hoe denkt u dat de werking is van die fijnstoffelijke voertuigen tijdens een bijnadoodervaring? Ik begrijp dat u dit vraagt. Maar er is vanuit wetenschappe- lijk onderzoek geen antwoord op te geven. We weten, objec- tief wetenschappelijk gezien, te weinig van ‘werking’ van het astraal lichaam dat mensen melden in hun ervaringen. Het on- derzoek daarnaar wordt, kort door de bocht gezegd, bemoei- lijkt door twee dingen. Ten eerste hebben we geen proefper- sonen die op ‘bevel’ kunnen uittreden en zich in die toestand hun ‘taak’ herinneren die vooraf met een onderzoeker is afge- sproken. Ten tweede hebben we (nog?) geen technische moge- lijkheden om een uitgetreden persoon te detecteren op de plaats waar die zich bevindt. Wel kunnen we kennis nemen van wat Oosterse leren en Westerse esoterie op dit gebied te melden hebben. Daar zijn vele ervaringen gestold tot subtiele en gedetailleerd uitgewerkte denkbeelden over wat er gebeurt tijdens het sterven. Dat is ‘ver- plichte kost’ voor wie zijn of haar eigen BDE wil begrijpen. Als we het woord ‘ziel’ vervangen door de woorden ‘menselijke kern-energie’, hoe staat u daar tegenover? Er is geen principieel bezwaar tegen het vervangen van be- grippen door andere begrippen. Maar dat moet niet leiden tot de suggestie dat we er ineens meer van begrijpen als we met de term ‘menselijke kern-energie’ gaan werken. Zolang we niet over meetbare en/of anderszins goed kenbare grootheden spreken op dit gebied, lijkt het me beter om geen nieuwe be- grippen te introduceren. Er zijn BDE’rs bij wie als het ware eerst de lichamelijke energie werd losgekoppeld en zich gedeeltelijk in deeltjes verspreidde en vervolgens de niet meer gebonden ‘kern- energie’ in contact kwam met een groter universeel weten. Hierop zou ik willen zeggen dat, in het verlengde van het antwoord op de vorige vraag, het heel duidelijk moet zijn dat die begrippen en beschrijvingen iets uitdrukken dat mensen er- varen. En als het nieuwe begrippen zijn, moet het heel duide- lijk zijn dat die beter zijn dan de oude en waarom. Mijn bezwaar tegen het te snel of gemakkelijk introduceren van nieuwe begrippen is tweeledig. In de eerste plaats schept het verwarring als er om de paar jaar nieuwe begrippen ontstaan die de een wel en de ander niet gebruikt. Dat werkt remmend op de communicatie. In de tweede plaats wordt door de introductie van nieuwe begrippen wetenschappelijke progressie gesugge- reerd in de trant van ‘…vroeger dachten we dat het om de ziel ging, maar nu weten we dat het de menselijke kern-energie is waar we mee te maken hebben…’. En dat is niet zo. Er moet dus een heel goede reden zijn om nieuwe begrippen te gebrui- ken en het moet duidelijk zijn waar die voor staan. Zijn het aan- duidingen van elementen uit ervaringen, zijn het nieuwe weten- schappelijke begrippen, of zijn het termen uit een Oosterse of Westerse leer? Mijns inziens verdient het de voorkeur om voor bepaalde ervaringselementen termen uit bestaande tradities te gebruiken. Dan is er een context en gebruik je begrippen die daar door anderen ook voor gebruikt zijn. Eén van de eigenschappen die als paranormaal wordt ge- zien, is zicht op de toekomst hebben. Dit kan voor iemand die zelf zo’n ervaring heeft heel verwarrend zijn, want het suggereert dat gebeurtenissen al van te voren vaststaan. Ook is het mogelijk dat diegene in een andere tijd-ruimte- dimensie terecht is gekomen, waarbij de tegenstrijdigheid zich voordoet dat gebeurtenissen niet van te voren vast- staan, maar iemand daar wel tijdelijk een blik op kan krij- gen. Wat zijn uw inzichten over dit fenomeen? Dit is een bijzonder ingewikkeld terrein waar geen eenslui- dende kennis over bestaat. Ik zal aanduidenderwijs over enk- ele aspecten wat zeggen. Veel onderzoekers houden niet van het idee dat de toekomst vaststaat of, daarover zijn ook idee- tjes bekend, dat het verleden veranderd kan worden. Beide lig- gen ‘nogal problematisch’. Het is een feit dat er, voorzichtig gezegd, aanwijzingen zijn dat mensen indrukken kunnen hebben over zaken in de toe- komst die zij normaal gesproken niet kunnen weten. Als die zaken dan toch waar blijken te zijn, kan je altijd zeggen dat die mensen door middel van psychokinese veroorzaakt hebben wat zij eerder zagen. Dan hebben zij de toekomst niet voor- zien, maar veroorzaakt. En dat laatste doen we voortdurend, zij het meestal zonder psychokinese (zie ook de eindnoot) . In de tweede plaats iets over ‘non-lokaliteit’, een term die in de parapsychologie gebruikt wordt en die geleend is van de moderne natuurkunde. Daar wordt in het kleine-deeltjesonder- zoek waargenomen dat gebeurtenissen met elkaar samenhang- en terwijl dat volgens de gangbare ‘dagelijks-leven’ opvat- tingen over tijd, niet kan. Met noemt dat ‘non-lokale’ corres- pondentie. Maar dan is het wel een grote stap om te zeggen dat wat voor kleine deeltjes opgaat, ook geldt voor het macroni- veau van de menselijke ervaring. Enkele natuurkundigen denken dat inderdaad, waardoor paranormale verschijnselen een meer hechte basis zouden krijgen. Maar de meeste natuur- kundigen denken zo niet. In de derde plaats zit er een psychologisch aspect aan deze vraag; het probleem van schuld. Ik sprak eens iemand die had ge- 27 Reflectie 1(3), december 2004
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=