Reflectie1(3).vp

André Hazes zong:” zij gelooft in mij”. Wat is de aantrekkingkracht van dit liedje, dat zo eenvoudig is dat iedereen ermee ‘wegloopt’? Het betekent eenvoudig, dat er iets in aanwezig is wat iedereen herkent. Dat is immers de aard van het volks-lied. In zij gelooft in mij lijkt het alsof André Hazes verwijst naar dat onvoorwaardelijke ‘JA’ dat we aan iemand geven, als we dat grootse in de ander herkennen dat we ’Ik’ noemen. Eenheid in verscheidenheid De schepping is niet meer dan een projectie en bestaat niet op zichzelf Paul G. van Oyen Als we goed naar de wereld om ons heen kijken en ook onze eigen gevoelens goed beschouwen, kunnen we vaststellen dat ie- der mens op zoek is naar vijf dingen: 1. bewustzijn 2. intelligentie 3. geluk 4. vrij zijn 5. heerschappij of macht Het is zeker mogelijk deze doelstelling- en tijdelijk te verdoezelen en er andere voor in de plaats te stellen, maar vroeg of laat zullen deze doelstellingen steeds weer naar boven komen. Zij behoren bij de aard van ieder mens. We kunnen ook vaststellen, dat dit wezenlijke verlangen in ieder mens is ingeplant en dat dit verlangen geheel los staat van de vraag of we in God geloven of niet. Het bijzondere feit doet zich nu voor, dat deze vijf kwali- teiten door alle grote godsdiensten van de wereld worden be- schouwd als de kenmerken van God zelf. In feite zijn wij dus steeds op zoek naar de verwerkelijking van juist die kenmer- ken die als ‘goddelijk’ worden beschouwd: zij horen bij God. Als Plato ons voorhoudt, dat Socrates bij voortduring hamerde op het feit dat de menselijke ziel goddelijk is en onsterfelijk, dan doelt hij daarmee op de noodzaak om deze vijf kenmerken te verwerkelijken. De onsterfelijkheid is natuurlijk impliciet aanwezig in het goddelijke. Moeder natuur heeft het kennelijk bij de mens zo geregeld, dat hij – of hij wil of niet – niet an- ders kan doen dan steeds opnieuw op zoek te gaan naar zijn ei- gen kenmerken, zijn eigen kernkwaliteiten: bewustzijn, intelligentie en gelukzaligheid ( sat-cit-ânanda ) en die ook werkelijk te verwezenlijken. De verwezenlijking van deze drie kwaliteiten is de verlos- sing of bevrijding uit de begrenzingen van het menselijke be- staan en wie bevrijd wordt uit de begrenzingen van het menszijn, realiseert de ultieme eenheid en identiteit met de Heer zelf: de heerschappij. De verwerkelijking van sat-cit-ânanda geeft bevrijding of verlossing en daarmee het opgaan in de Heer zelf. In mystieke zin wordt dit als de unio mystica beschouwd, waar alle esoterische stromingen op ge- richt zijn geweest, met al hun geheime leren en initiatiepraktij- ken. De visioenen van de mystieke middeleeuwers zoals Hadewijch, Beatrijs van Nazareth, Margarete Porete en Jan van Ruusbroec zijn hier een duidelijke afspiegeling van. In onze tijd kunnen we veel terugvinden van deze unio mystica in de bijzondere ge- schriften van de Amerikaanse trappist Tho- mas Merton, die helaas aan een vroegtijdig einde kwam bij een verkeersongeval in Bangkok in 1968. Kortom: het verlangen naar Zelfrealisatie ligt in ieder menselijk wezen ingeplant. Ieder mens wil uiteinde- lijk de thuisreis aanvaarden en teruggaan naar ‘huis’, dat wil zeggen teruggaan naar waar hij vandaan kwam. Dit betekent niets anders dan het verwerkelijken van sat-cit- ânanda ; het verwerkelijken van bewustzijn, kennis (intelligentie) en geluk. De verwerkelijking van deze drie kern- kwaliteiten of aspecten van het goddelijke betekent heel eenvoudig, dat ieder mens er- naar verlangt om zelf het levende voorbeeld en het bewijs te worden dat deze drie kwaliteiten bij hemzelf horen. Ieder mens zelf is in potentie vervuld van bewustzijn, is superintelligent en is een oceaan van gelukzaligheid. Dit is de praktische uitdaging van Zelfrealisatie, een woord dat tegen- woordig te pas en te onpas wordt gebruikt. Toch verlangen we er allemaal naar. Als Aristophanes in het Symposium van Plato ons voorhoudt, dat de mens drie vormen kent: vrouwelijk, man- nelijk en vrouwelijk-mannelijk (aarde, zon en maan), dan is er niet veel verbeeldingskracht voor nodig om in te zien dat deze drie vormen verband houden met de drie aspecten van God zelf: waarbij het mannelijke-vrouwelijke staat voor het bewustzijn zelf en de vrouwelijke en mannelijke vorm voor de twee andere. Wie bij wie hoort, mag de lezer verder zelf uitmaken. De men- selijke kenmerken, of liever gezegd: de kenmerken van de men- selijke ziel zijn dezelfde als die van God. In de Vedische traditie wordt dit geformuleerd als: nara nârâyanasvarûpa (de aard van de mens is die van God zelf, nârâyana ). Kernkwaliteiten Als we niet alleen om ons heen kijken, maar vooral naar ons- zelf, zullen we moeiteloos kunnen vaststellen, dat we behoor- lijk verwijderd zijn van deze kern in onszelf. In plaats van een toonbeeld van gelukzaligheid te zijn, zitten we vol spanningen en innerlijke tegenstrijdigheden, met alle gevolgen van dien, zoals veel ellende en misère. De enige uitweg uit deze impasse is: de thuisreis af te leggen. Dit betekent eenvoudig, dat we zullen moeten leren terug te vallen op onze echte kernkwalitei- 31 Reflectie 1(3), december 2004

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=