Reflectie1(3).vp

ten: bewustzijn, intelligentie en gelukzaligheid ( sat-cit-ânanda ). In feite valt er geen tijd te verliezen, want hoe verder we afdrij- ven van onze kern hoe lastiger het wordt om terug te gaan. We zijn uit God voortgekomen en zullen dus tot God terugkeren. Er is geen alternatief, want alle bewegingen in de schepping verlo- pen cyclisch: Ik ben de alfa en de omega . Uit God zijn we voortgekomen, door God worden we in stand gehouden en le- ven we en tot God zullen we terugkeren. Dan is de cirkel rond. De hemel is niet goed genoeg. Alleen God zelf is goed. De Bijbel zegt ons in het eerste vers van het Boek Genesis: In den beginne schiep God de hemel en de aarde. Om dit te la- ten gebeuren moet dit creatieve beginsel (God) alwetend zijn, almachtig en Zijn wil wet, zoals bijvoorbeeld: En God zei: Er zij licht, en er was licht en God zag dat het goed was. Het eer- ste vers van de Bijbel gaat uit van de wens die opgerezen is. In de Vedische traditie is dit de wens die oprijst in het kosmische ei om de schepping naar buiten te brengen. Dit beeld vinden we regelmatig terug in de verschillende Upanishaden. Er is echter een belangrijke passage in de Taittirîya Upanishad (II, 6 en 7) die luidt: 6. Wie het Zelf ontkent, ontkent zichzelf. Wie het Zelf bevestigt, bevestigt zichzelf. Dit gelukzalige Zelf is de ziel van het belichaamde zelf. Bereikt een onwetende dat Zelf, wanneer hij naar gene zijde gaat of alleen een wijs mens? Het Zelf zei: ‘Laat mij vele worden; laat mij geboren worden.’ En in de hitte van zijn meditatie schiep Hij alles; alles scheppende, trad Hij alles binnen; alles binnengaande, nam Hij vorm aan maar bleef zelf vormloos. Hij nam begrenzingen aan, maar bleef zelf onbegrensd. Hij maakte zich een tehuis, maar bleef zelf zonder woon- en verblijf- plaats. Hij schiep kennis en onwetendheid, werkelijkheid en onwerkelijkheid. Hij werd alles, daarom is alles werkelijk- heid. Hier is mijn gezaghebbende uitspraak: 7. In den beginne was er geen schepping. Toen kwam de schepping. Hij schiep zichzelf uit zichzelf. Daarom wordt Hij Zelfschepper genoemd. Alles is zelfgeschapen. Hij is de essentie ervan. De mens drinkt die essentie en is vol gelukzaligheid. Indien de mens zich niet in de vreugde verloor, zou hij niet kunnen ademen, hij zou niet kunnen leven. Het Zelf is de vreugdegever. Wanneer de mens dat onzichtbare, naamloze, tehuisloze, vormloze en onkwetsbare Zelf vindt, is hij niet langer bevreesd. Het Zelf betwijfelen betekent te leven in vrees. Wie denkt wijs te zijn, maar aan de alomvattendheid van het Zelf twijfelt, gaat zelf weifelen en raakt vervuld van vrees. Onbegrensd Van belang is op te merken, dat deze tekst zegt: Laat mij velen worden; laat mij geboren worden. God zegt niet: Ik zal scheppen, maar Hij zegt: Ik zal worden . Het Ene dat Hij is ( sat-cit-ânanda ), vermenigvuldigt zich door vele te worden, maar dat Ene blijft dat Ene en de sat-cit-ânanda blijft zichzelf: bewustzijn-intelligentie en geluk. Zelf wordt het niet meer of minder, maar het wordt ge- boren als ‘velen’. Dit betekent dat de eindeloze veelheid en ver- scheidenheid aan namen, vormen en dingen, die we kunnen waarnemen niet méér zijn dan een uitdrukking van dat Ene zonder tweede. Zij zijn en blijven, altijd, een uitdrukking van de sat-cit-ânanda . Alles wat we zien is een uitdrukking van opperste gelukzaligheid. Dit is de uitdaging waarvoor we ons gesteld zien: om temidden van de schijnbare misère en ellende God te blijven zien voor wat Hij is: sat-cit-ânanda . Is dit niet de navolging van Christus? De begrenzingen die er zijn, zijn tijdelijk en voorbij- gaand. Wat blijft is het onbegrensde Zelf: In den beginne was er geen schepping. Toen kwam de schepping. Hij schiep zichzelf uit zichzelf. Het is van belang dat we gaan inzien, dat de schepping die in den beginne geschapen werd niet op zichzelf bestaat, maar uit het creatieve beginsel zelf voortkomt. Hij schiep zichzelf uit zichzelf. Inderdaad, in feite is er alleen maar Dat. Dit wordt bedoeld met de fameuze uitspraak uit de Vedânta-filosofie, wanneer over Brahman (het Zelf) gesproken wordt als Het Ene zonder tweede. Er is alleen maar Dat, Brahman. De ultieme werkelijkheid, het enige werkelijke feit dat bestaat is dat God bestaat en dat al het ándere geschapen is en slechts bestaat als een projectie, dus alleen in naam en vorm. In die zin wordt de schepping illusoir genoemd, zoals een film of een theaterstuk ook een illusie is. Een horrorfilm is vol griezeligheden en meestal vol geweld, maar het blijft een illusie. Juist daarom kunnen we ernaar blijven kijken, als we dat willen. Een Holly- wood-film is een en al sentimentaliteit, maar ook dat blijft een illusie, waardoor we ernaar kunnen blijven kijken, als we dat willen. In feite brengt de schepping niets nieuws, hoewel dat binnen de schepping wel zo lijkt. Het nieuwe is een projectie van het worden, maar de werkelijkheid is dat er slechts één zijn is: bewust-zijn. Allesdoordringend Als de Bijbel ons voorhoudt, dat God in den beginne de hemel en de aarde schiep, dan betekent dit dat er vóór het begin al- leen maar tijdloosheid was, waarin God aanwezig was. Daar- om wordt Hij Zelf-bestaand genoemd en eeuwig. Uit welke materie, uit wat voor een materiaal bracht Hij deze schepping voort? Het is duidelijk dat dit alleen uit zijn eigen substantie kan zijn. Die substantie is het Zijn zelf. Daarom zegt Boek Exodus (3,14) ook: Ik ben die Ik ben, en Hij zeide: aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: “Ik ben heeft mij tot u gezon- den”. De onontkoombare gevolgtrekking is dus, dat al het ge- schapene en dus ook de mens zelf, in wezen niets anders zijn dan God Zelf. Daarom is de menselijke ziel goddelijk en on- sterfelijk. Door de gave van de rede heeft alleen de mens ech- ter het unieke vermogen meegekregen om zich hiervan bewust te worden en dat bewustzijn te verwerkelijken, te realiseren. Al het geschapene is een uitdrukking van Gods alkennis, van Gods almacht en van Gods alomvattendheid. Bovendien is Hij allesdoordringend, voorbij tijd en plaats, eeuwig, altijd, alkun- nend, algevend en alontvangend. Wat uit God is voortgekomen, zal tot God wederkeren. God zijt gij en tot God zult gij wederkeren! Omdat we zelf goddelijk en onsterfelijk zijn, is het niet te verwonderen dat we nóóit helemaal tevreden zullen zijn als we die goddelijkheid en onsterfelijkheid niet echt verwerkelijkt hebben. Zolang dat niet het geval is, hebben we nog wat te doen in deze schepping en zullen we doorgaan, tot het einde toe. Dat einde is dan weer een nieuw begin, enz. Zo bezien is de schepping als een tredmolen. Alleen de mens is geheel vrij om eruit te stappen. Het ligt aan de mens zelf te besluiten dat te doen en dan de daad bij het woord te voegen. Dit is de thuis- reis. Tastend in de behoorlijk diepe duisternis van onze eigen onwetendheid en botte domheid en zelfzucht leven we in een wereld vol zelfgemaakt geween en geknars van tanden. Toch dragen we in ons dit stralende licht van zuiver bewustzijn dat pure intelligentie en pure gelukzaligheid is. Door middel van 32 Reflectie 1(3), december 2004

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=