Reflectie1(3).vp

Paul van Oyen: Gîtâ; deel I – een vertolking met commentaar. Conversion Productions (zie ook Evangelie van Markus – een vertolking met commen- taar. Een boeiend commentaar op het Marcus Evangelie, re- censie in Reflectie , nr 1-2, jaargag 1; p37-8) De Bhagavad Gîtâ geeft de gesprekken weer tussen Krisna en Arjuna (temidden van een dramatische, grote familiestrijd!). En in die gesprekken gaat het over de drie paden: dat van ken- nis (jnâ), hechteloos handelen (karma) en toewijding tot God. Krishna, de Heer, wordt beschouwd als een van de Visnu - of Gods openbaringen of avatâra’s. De boekbespreking gaat over een ambitieus project: alle verzen van de Bhagavad Gîtâ weergeven en voorzien van commentaar. Het eerste van de drie delen is zojuist verschenen en omvat de hoofdstukken of ‘boeken’ 1 t/m 6; dat is ongeveer een derde van de in totaal ca 700 verzen tellende Gîtâ. De verzen worden (in vertaling van de auteur?) elk eerst weergegeven en dan geïnterpreteerd en van commentaar voor- zien. Ontelbaar zijn de studies over deze Indiase ‘heilige schrift’; de vele mogelijke wijzen waarop de woorden en de tekst zijn te interpreteren zijn hiertoe aanleiding. Dat is dan ook in de loop van de tijd gebeurd, zowel door klassieke als moderne Hindoe en Westerse commentatoren. Een samenvat- ting van de verschillende interpretaties is zelfs te boek gesteld. In ons land volgden op de eerste 2 in het begin van de vorige eeuw, andere uitgaven van de Gîtâ, 3/4 Waarom nu dan nóg een commentaar? Het bijzondere is, dat het huidige boek werd samengesteld uit commentaren op elke versregel, tot stand gekomen in groeps- verband. Een groep van een vijftal (?) geïnteresseerden zijn vele avonden bijeengekomen, onder leiding van de Westerse auteur Paul van Oyen, die zich verdiept heeft in, en zich steeds bezig houdt met, de Indiase Advaita Vedânta (één van de drie filosofisch-theologische systemen in de Vedanta die ook de Oepanishaden omvat). Te bedenken, dat de Gita (ca 200 v. Chr.) als interpretatie geldt van de veel oudere Advaita Vedânta. Vaak betrekt hij, de auteur, wat Sankara (of Shank- ara of Sankaracarya – in de 8 e eeuw) over de verzen heeft ge- schreven. Sankara wordt immers beschouwd als de grote, gezaghebbende commentator van deze stroming, maar beter gezegd: de meest invloedrijke denker van gehele geschiedenis van de Indiase religie. We zouden hem kunnen zien als de “Indiase Augustinus”, die grootste en meest invloedrijke denker( 4 e /5 e eeuw) van de gehele geschiedenis van het Chrístendom. Sankara’s commentaar zou terecht niet mogen ontbreken in een werk dat in goede handen is van een gestu- deerde in de Vedânta. Bovenstaande informatie over de oud-Indiase heilige ge- schriften mis ik eigenlijk enigszins in het huidige boek. Ook een wat uitgebreidere inleiding tot de Gîtâ zelf zou mij wel- kom zijn. 5 Het boek is nu dan ook meer toegankelijk voor de al half-ingewijden onder ons in het Indiase denken (al wordt dat gemakkelijker gemaakt door Sanskriet woorden en namen grotendeels te vermijden of vertaald weer te geven, in tegen- stelling tot de opzet bij andere werken). Het zou verder interessant zijn, wanneer de parallellen tussen het Indiase en christelijke denken, tussen Krishna en Christus (ook in India gezien als een avatâra van God!), wat meer aan- dacht krijgt in de commentaren. Maar dit is onderwerp van een mogelijk volgend boek van Paul van Oyen! Wel schrijft hij in de inleiding (op p. 14): Krishna’s boodschap is opgetekend in de Bhagavad Gîtâ, Christus’ boodschap in de Evangeliën. Zowel Krishna als Christus hameren op het alomvattende belang om de sturende hand van de Heer weer in alles te ontwaren. Zij hameren op het wezenlijke belang om God te dienen en niet de begrenzing- en en benepenheid van welk ego dan ook. Zij hameren op het belang van menselijkheid en op het belang van menselijke ont- wikkeling. Muziek, dans, toneel, wetenschap, studie van de ge- schriften, bidden, meditatie, contemplatie en reflectie en rituele eredienst zijn hierbij onontbeerlijk. De Vedanta, en daarmee ook de Bhagavad Gîtâ, is geba- seerd op de aloude wijsheidtraditie, waaruit ook de vrij-katho- lieke leer put. Bestudering daarvan in deze ‘vertolking met (collectief) commentaar’ kan een soort feest der herkenning worden, maar ook, door de andere en eigentijdse invalshoek en beschouwingen, een inspiratie geven tot verdere bewustwor- ding en spirituele ontwikkeling van ons bestaan in dit leven. + Frank den Outer Enkele publicaties over de Gîtâ: 1. R.B Minor, The Bhagawad Gîtâ , 1982 2. Studiën in de Bhagawad G tâ , ‘de Droomer’, 1904, Theosofische Uitgevers Mij, Amsterdam. Zonder citaten; 3. J.A. Blok, Bhagavad Gîtâ , 1955, Kluwer, Deventer. Commentaar met citaten. 4. De Bhagavad Gita zoals ze is , 1965, Stichting International Society for Krishna Consciousness (beter bekend onder Hara Krishna (op straat dansende en -mantram- zingende jongeren). 5. Een kleine toelichting: Bhagavad Gîtâ bestaat uit 18 boeken, met in totaal ca. 700 verzen; het betreft hier deel 1 (1-6). De delen II (7-12) en III (13-18) volgen. De zes boeken (in de benaming van de auteur) zijn: over wanhoop (deel I); beheersing van het denken; de weg van handeling; de disci- pline van zelfkennis; de weg van loslaten en zelfbeheersing en meditatie. Opvallend is, dat reïncarnatie en de vele levens van de mens veel ter sprake komen in de Gîta, in tegenstelling tot de Evangeliën, waarin hoogstens een bedekte verwijzing hiernaar voorkomt. De VKK belijdt openlijk haar geloof in reïncarnatie. Bhagawad Gitâ Textielschilderij van Madelon van Oyen de La Rive Box 40 Reflectie 1(3), december 2004

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=