Reflectie Herfst 2013.vp
19 Reflectie 10(3), herfst 2013 een cultuur van globalisering die de seculiere, liberale sfeer van de multinationals ademt en weinig oog heeft voor minder- heden, zeker niet voor religieuze minderheden. Een dergelijk proces was ook gaande in de tijd van Jezus. Toen worstelde men met de erfenis van het Hellenisme, dat was ontstaan toen Alexander de Grote (334 – 323 BC) vanuit Griekenland bijna de hele toen bekende wereld veroverde. Deze kosmopolitische, Hellenistische beschaving, die door de Romeinen grotendeels werd overgenomen, betekende een ont- wrichting van de nationale culturen. Er was, speciaal in het oostelijk deel van het Romeinse Rijk, nauwelijks ruimte voor de eigenaardigheden van de overwonnen volkeren. Dit verlies van eigen identiteit werd door de onderdrukte volkeren ervaren als de grootste ramp die hen was overkomen. En daar probeerde men op alle mogelijke manieren mee om te gaan. Met openlijke opstand tegen de gevestigde orde of door schijnheilig mee te heulen. Of door ondergronds te gaan om zo aan de eigen traditie trouw te blijven. Velen van deze men- sen verstarden daarbij in een fundamentalistische houding, maar enkelen van hen zagen juist in de crisis een kans om de eigen traditie op bepaalde punten te herinterpreteren en te ver- nieuwen. Zij werden de charismatische leiders die een nieuwe, spirituele impuls gaven. We zien dit heel duidelijk in het Palestina van de tijd van Jezus. Het is boeiend daar nu kort op in te zoomen. Verzet tegen een dominante cultuur Rond het begin van de christelijke jaartelling was Palestina het toneel van politieke intriges, militaire veroveringen en volks- opstanden. In de tijd van Jezus was de animositeit met het Hellenisme al enkele honderden jaren gaande. De Joden haat- ten deze dominante cultuur omdat zij daarin geen ruimte kre- gen om hun eigenheid te beleven en hun verbond met God te vieren. Zelfs in hun Tempel in Jeruzalem konden ze hun God niet meer vereren. Een van de reacties waaraan de Joden tenslotte ten onder gingen was die van politieke opstand. Toen de heerschappij van het Hellenisme niet meer te verkroppen was, pleegden de Mak- kabeeën in 167 BC een geslaagde opstand tegen de Helleense machthebbers. Zij stichtten het Hasmonese koninkrijk, met Jeruzalem als hoofdstad en de Hasmonese koningen als hoge- priester. De Joden hadden honderd jaar een eigen staat. Maar in 63 BC werd dit rijkje op bloedige wijze door de Romeinen on- derworpen en werd het een vazalstaat van Rome. Om het volk te behagen bouwde de vazalkoning Herodes de Grote (37-4 BC) toen de Tempel uit tot een indrukwekkend bouwwerk, maar dat kon niet verhinderen dat de onrust in grote groepen van de be- volking bleef bestaan. Er bleven groepen strijdbare opstande- lingen bestaan, die af en toe gewelddadig maar machteloos ver- zet pleegden. Zij creëerden daarbij vooral veel angst, ook bij de eigen bevolking. In onze tijd zouden we hen ‘terroristen’ noe- men, toen heetten ze ‘Zeloten’, ‘ijveraars voor de ware gods- dienst’. Eén van hen, Simon de IJveraar, was volgens de cano- nieke evangeliën ook een apostel van Jezus. Pal tegenover deze groep stonden de tempelpriesters, die wij kennen als de Sadducceeën. Zij heulden samen met de Ro- meinen, door wie zij ook waren aangesteld om het volk rustig te houden. Hun belang was het niet zozeer om de Joodse tradi- tie en de Thora te beschermen, maar om hun eigen positie te behouden en te verdedigen. In het proces tegen Jezus, die in hun ogen een gevaarlijke opstandeling was, speelden zij dan ook de hoofdrol. Rituele reinheid en zuiverheid in de leer In deze gewelddadige sfeer van politieke intriges waren er twee groepen die zich met hart en ziel inzetten voor het behoud van zuiverheid van de Joodse traditie. De eerste groep is die van de Essenen, Joodse monniken die een eigen klooster hadden ge- sticht in Qumran, vlak bij de Dode Zee. Zij wilden zo zuiver mogelijk leven, kenden veel rituele wassingen, en wilden verder geen contact met de Tempel en de ‘gewone’ Joden. De beroem- de ‘Dode Zee rollen’ die in de jaren ’50 van de vorige eeuw zijn gevonden en waarover momenteel een prachtige tentoonstelling te zien is in Assen (3) geven hier een goed beeld van. De Essenen beschouwden de wereld als een strijdtoneel tussen de goede en kwade machten en leefden in de verwachting van de Messias, die door God gezonden zou worden om orde te scheppen in de chaos en het zuivere Joodse volk de heerschappij over de we- reld te geven. Johannes de Doper, die optrad vlak voordat Jezus in de openbaarheid kwam, was waarschijnlijk een Esseen die Gods wraak over de zondige wereld moest verkondigen en opriep tot rituele reiniging. Maar bij ons zijn vooral de Farizeeërs bekend, volkse en wetsgetrouwe leken. Ook voor hen was ‘rituele reinheid en zuiverheid in de leer’ een belangrijke waarde, maar niet zo ri- goureus als bij de Essenen. Wij kennen hen vanuit de canonie- ke evangeliën, waarin polemieken van hen met Jezus staan op- getekend. Maar de bekendste is toch wel de bekeerde Farizee- ër Paulus, die in de begintijd van het christendom een cruciale rol heeft gespeeld om de boodschap van Jezus ook onder de heidenen in het Westen te verspreiden. Jezus: verinnerlijking en liefde In deze politieke en culturele dictatuur en chaotische richting- enstrijd tussen Joodse groepen kwam Jezus met zijn bood- schap van verinnerlijking en liefde. Verinnerlijking, omdat hij zag dat de Farizeeën in hun ijver om alle wetten te precies uit te voeren zich steeds meer op de buitenkant, de letterlijke na- volging er van, waren gaan richten. Een fundamentalistische houding die hij pareerde door er voortdurend op te wijzen dat God alleen behagen heeft in een oprecht en zuiver hart. We vinden dit al in de oudste bronnen die over Jezus melding ma- ken, de Quelle waaruit later ook Mattheus en Lucas geput heb- ben. Daar staat in Logion 12: ‘Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.’ (4) Maar Jezus predikte ook liefde, want hij besefte dat dit de kern was van de Thora. Hiervoor greep hij terug op de wijs- heid van de Joodse wetgeleerde Hillel (50 BC – 10 AD) die ten tijde van de vazalkoning Herodes de Grote hoofd was van de rechtbank van de Farizeeën. Toen Hillel eens gevraagd werd de Thora samen te vatten had hij gezegd: ‘Wat gij haat, doet dat uw naaste niet aan.’ Jezus volgt hem hier- in als hij de Thora samenvat met de woorden die ook zijn opgetekend in de Quelle: ‘Behandel de mensen in alles zoals jezelf door hen behandeld wilt worden.’ Bladzijde van Thomas-evangelie
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=