Reflectie Herfst 2013.vp
Toen veranderde er iets. Vanuit de duisternis kwam al draai- end een witgouden licht op hem af, en langzamerhand ver- dween de duisternis om hem heen. En ondertussen werd het monotone gedreun dat hij tot dan had ervaren, vervangen door de mooiste muziek die men zich kon indenken. Midden in het licht ontstond iets – het werd een opening naar een andere we- reld waar hij in een flits naar toe bewoog, naar de wonderlijk- ste, de mooiste wereld die hij ooit had gezien. Het was alsof hij opnieuw geboren was in deze schitterend mooie wereld – of eigenlijk, niet opnieuw geboren, maar gewoon: geboren. Onder hem was een prachtig landschap. Het was weelderig begroeid en groen. Het was de Aarde, en tegelijkertijd was het dat ook weer niet. Hij vloog boven de bomen en velden, over stroompjes, rivieren en watervallen, en hier en daar zag hij mannen, vrouwen en spelende blije kinderen. Het was een on- beschrijflijk mooie wereld, als in een schitterende droom. Behalve dat het géén droom was! Hij besefte dat deze wereld waarin hij zich zo plotseling bevond, ècht was, helemaal ècht! Opeens merkte hij dat hij niet alleen was, maar dat hij mee vloog op de vleugel van een grote vlinder en dat naast hem, op de andere vleugel, een prachtige jonge vrouw zat. Zij sprak tot hem, echter zonder woorden: “Hier ben je geliefd en word je gekoesterd, voor altijd. Je hebt niets te vrezen. Er is niets dat je verkeerd kunt doen. We zullen je veel dingen laten zien, maar uiteindelijk zul je toch terug moeten gaan.” Hij kwam inderdaad terug – en zijn ideeënwereld stond op zijn kop dankzij deze ‘echter dan echt’ ervaring. Er brak een tijd aan waarin hij worstelde met zijn gevoe- lens en alles wat hij had geleerd over het menselijk lichaam en over de dood. Zoals hij zelf zegt in zijn (amerikaanse) boek op pagina 41: “Ik ben geen sentimentele softie. Ik weet hoe de dood eruit ziet. Ik weet hoe het voelt als je een mens, met wie je hebt gesproken en grappen gemaakt gedurende betere da- gen, plotseling als een levenloos object op de operatietafel ziet liggen nadat je uren achtereen hebt geworsteld om dat lichaam te repareren. […] Ik ben op de hoogte van mijn biolo- gie en hoewel geen fysicus, ben ik ook wat dat betreft beslist geen sukkel. Ik weet het verschil tussen fantasie en werkelijk- heid, maar ik worstel met het gegeven dat de ervaring waar- van ik u slechts het meest onbevredigende, vage beeld geef, wel de enige meest werkelijke ervaring van mijn leven was.” Intellectuele worsteling Zijn achtergrond als medicus en wetenschapper zat hem danig in de weg. Maanden achtereen worstelde hij met de vraag wat de medische oorzaak was van zijn ervaring. Hij bestudeerde grondig alle medische gegevens van zijn casus, hij sprak uit- voerig met de specialisten die hem hadden behandeld, en las verder alles wat hij maar kon vinden over de bijna-dooderva- ring, in casu literatuur die hij vóór hij zijn ervaring nog nooit eerder had ingezien. Kortom, van beïnvloeding vooraf was geen sprake geweest. Steeds meer neeg hij ertoe de ervaring niét te zien als een rijke hallucinatie van een stervend brein. In tegenstelling tot wat zijn vakgenoten beweerden kon hij op grond van de medische gegevens van zijn casus stellen dat zijn brein volledig was stilgelegd, of ‘fully shut down’ zoals hij dat zelf formuleert. Daarop kon hij niet anders concluderen dan dat de bewustzijnservaring die hem was overkomen theo- retisch onmogelijk was geweest. Het waarom daarvan legt hij niet uit in zijn boek (een en ander zou dan wel erg medisch- technisch worden) maar wel in stukjes tekst die hij op zijn website en op internetfora heeft geplaatst. “De hoeveelheid glucose in mijn hersenvocht, die normaal 60-80 milligram per 100 milliliter hoort te zijn, in het geval van zware hersenvliesontsteking 20, liep terug tot slechts 1 milligram per 100 milliliter.” Dit is een uitermate belangrijk gegeven want hersenen draaien op glucose – het is hun enige energiebron. Glucose, ook druivesuiker genoemd, is sowieso de belangrijkste energiebron voor ons lichaam. Dit, alsmede het gegeven dat de ontsteking ver gevorderd bleek (de ruimten tussen de hersenplooien en tussen hersenen en binnenkant van de schedel waren gevuld met pus) was voor hem aanleiding te stellen: “Ik kan u niet zeggen hoe dicht ik bij de dood ben ge- weest, vanwege de beschadiging van mijn gehele neocortex. ” Kortom – het was zonneklaar dat in die omstandigheden zijn hersenen niet kònden functioneren. Toch was er meer aan de hand want waar kwam die hyper-realistische, en door-en- door coherente ervaring vandaan? Was het inderdaad een tota- le transcendente ervaring, een buiten zijn lichaam treden zoals de BDE-boeken hem deden suggereren? Of was het toch maar een, zij het heel bijzondere, hallucinatie? Hij was nog niet echt zeker van zijn zaak. Die zekerheid echter werd hem op heel onverwachte wijze geboden door de vrouw die hem had vergezeld op die andere vlindervleugel op zijn tochten door dat hemelse rijk. Eben Alexander vond zijn biologische familie Hier moeten we even teruggaan in de persoonlijke geschiedenis van Eben Alexander. Hij was namelijk een geadopteerd kind toen hij vier maanden oud was. Van zijn biologische ouders wist hij niets, behalve dat ze beiden erg jong waren geweest toen ze hem weggaven. Het was iets waar Eben zich nauwelijks druk over had gemaakt, maar doordat zijn eigen jonge zoon meedeed aan een stamboomproject raakte hij, in het jaar 2000, tegen wil en dank betrokken bij zijn biologische afkomst. Zo ontdekte hij dat zijn eigenlijke ouders toch nog waren getrouwd en alsnog drie kinderen hadden gekregen, twee meisjes en een jongen. Via een tussenpersoon kwam hij van zijn oudste biolo- gische zus te weten dat de jongste zus was overleden in 1998. Zijn biologische ouders waren nog steeds in diepe rouw, en wil- den niet dat Eben contact met hen zocht. Hij ervoer dat als een forse afwijzing die jarenlang aan hem bleef knagen. In 2007 echter zocht hij opnieuw contact en nu antwoordde zijn oudste biologische zuster in positieve zin. In october 2007, dus een jaar voordat Eben werd geveld door zijn hersenvliesont- steking, ontmoette hij dan eindelijk zijn biologische ouders en zijn biologische zus Kathy en broer David. Hij werd hartelijk ontvangen. Hem werd ook de naam verteld van zijn andere in 1998 overleden zuster: Betsy. Zus Kathy beloofde te zijner tijd een foto van Betsy te sturen. Dat gebeurde vier maanden na Eben’s ontslag uit het ziekenhuis. Toen hij deze foto (zie links) van zijn zuster grondig be- keek, kwam de herkenning als bij donderslag: De jonge vrouw die hem in dat hemelse rijk had vergezeld op de vleu- gels van de vlinder, was Betsy, zijn echte zuster die hij nooit had gekend. 26 Reflectie 10(3), herfst 2013
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=