15(2)18

Reflectie jaargang ı5 nummer 2, zomer 20ı8 16 er juist: ‘ Jezus ging zitten ’. Deze woorden hebben hier een speciale betekenis. Het was de gewoonte dat onderricht zittend gegeven werd. Een herinnering hieraan is het woord ‘leerstoel’ op universiteiten; maar om uit de Thora te lezen bijvoorbeeld ging men juist staan. Leven volgens de Bergrede; maar welke versie? Om te leven volgens de Bergrede is niet makkelijk. Martin Luther zei bijvoorbeeld dat de Bergrede ‘ niet op het raadhuis thuishoort, en dat er niet mee valt te regeren .’ En ook Karl Marx zei tegen de christenen in zijn tijd: ‘ Wordt jullie theorie niet ieder ogenblik gelogenstraft door de manier waarop jullie in de praktijk leven? ’ Met de Bergrede , zeggen politici, kun je geen staat regeren . Hier is dan het verschil bedoeld tussen machtspolitiek en het geweten. Hij heeft het dan ook over als je een klap op je rechterwang krijgt moet je degene die sloeg ook de linkerwang bieden (en niet terugslaan). Deze eisen zijn bijna onmenselijk en tonen de mens in zijn ontoereikendheid. Van de andere kant kun je het ook zien als een toekomstbeeld waar de mensheid naartoe kan groeien, zoals het beeld van de leeuw en het lam die samen spelen. Of: heb uw naaste lief als uzelf . De middeleeuwse kabbalamystici verwoordden dat zo: de naaste is altijd een deel van jezelf; in elke medemens ben je zelf in de kiem aanwezig. Geen liefde voor een medemens wreekt zich dus op het eigen ego . Lapide schrijft: ‘ Voor mij is Jezus niet zozeer de grondlegger van het christendom als wel degene die de aanzet geeft tot het christen-zijn; wat voor hem neerkomt op een gelovige jood zijn .’ Hij vraagt zich af of we in de Bergrede te maken hebben met de ethiek van Jezus zelf of dat deze ont- sproten is aan de scheppingsdrang van Mattheüs? En (niet op de laatste plaats!) wat is er bij de vertaling in het Grieks, en later in het Latijn, veranderd , verkeerd begrepen , als niet te begrijpen weggelaten of om iets begrijpbaar te maken toegevoegd ? Joodse rabbijnen en schriftgeleerden stellen dat alles wat Mattheüs in de Bergrede schrijft al in de Talmoed te vinden was, en op vele andere plaatsen. In Mattheüs 5 vind je ook een andere ‘Bergrede’ die we wel de ‘ Zaligsprekingen ’ noemen. Die benaderen de mens op een andere manier: de Bergrede van Mozes is streng en straffend als je deze niet nakomt; de Zalig- sprekingen gaan juist uit van beloften als je deze wél naleeft. Bijvoorbeeld: ‘ Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden .’ Lapide zegt dat de schijnbare onmogelijkheid van het naar de Bergrede van Mozes te leven verklaarbaar kan zijn doordat deze een soort eindtijd aangeeft, waar naartoe geleefd moet worden. Gesoebat rond de sabbat Een heel belangrijk gebod in Mozes’ Bergrede is het sabbatsgebod . De sabbat begint bij zonsondergang op vrijdag en eindigt bij zonsondergang op zaterdag. Dat is de dag van rust omdat God ook na zes dagen werkzaam geweest te zijn de zevende dag rustte. Dat lijkt heel duidelijk, maar toch is er heel veel over geschreven. Zoals Lapide aangeeft: dat is en was ook de manier waarop joden met deze teksten omgaan . Hieronder een voorbeeld. Ja, je moet de sabbat houden, maar: – je moet wel eerst zes dagen werken en niet luieren; en na de sabbat wel weer stevig aan het werk gaan; – rusten is wel rusten en niet zomaar iets anders doen, maar echt uitblazen en tot rust komen. Ook de slaaf moet verplicht ‘niet werken’, en ook de ezel en zo. Dat heeft best veel consequenties, want dat betekent bij- voorbeeld dat het eten de dag ervoor al helemaal klaar moet zijn gemaakt; – het is een teken van imitatio Dei , ‘God nadoen’; dat betekende ook dat je je op die dag moest onthouden van kritiek op fouten en tekortkomingen van anderen; – wanneer dan op de vrijdagavond de schepping van de wereld uit niets door God herdacht wordt, laat dat ons ook zien dat wij dát niet kunnen: iets uit niets scheppen ; – de sabbat is voor de voortschrijdende, nog onvoltooide schepping tegelijk opdracht tot medewerkzaamheid bij het verder scheppen; want door de bijzondere manier van schrijven kunnen zinnen soms anders gelezen worden, en hier zou je ook kunnen lezen: ‘ Omdat Hij op die dag rustte van al zijn werken, die God geschapen had; en nu: aan het werk jullie! ’ Dit in de zin van: En nu, mens, is het jóúw beurt ... – de sabbat is voor joden ook een dag van terugkeer naar het ware ik en naar de oorsprong van ons allen, name- lijk; kind van God zijn, zoals alle kinderen van Adam; – de sabbat is ook een herinnering aan de exodus . Het herinnert eraan dat de sabbatwet de enige wet was die al vóór de exodus bestond; – de sabbat is evenzeer een voorsmaak van de eindtijd of (zoals de rabbijnen zeggen) een voorafschaduwing van de komende wereld. We herinneren ons ook het begin, als wij over de zevende dag spreken zeggen wij: In den beginne schiep God hemel en Aarde . De rabbijnen becom- mentariëren dit met fijngevoelige psychologie: wie ‘In den beginne’ zegt, die laat het einde ook meespelen ; – elke bloem, elke plant, elke boom blijft een eeuwig, ondoorgrondelijk wonder van God en zij vormen de door Hem gewilde natuur; maar wij hebben een Van Gogh en een Goethe nodig om ons daaraan te herinne- ren. En zo dient de sabbat ook om ons af te keren van de sleur van het dagelijks leven en ons het mysterie te doen ervaren, dat inherent is aan alle door God geschapen zaken. Tot besluit Zoals boven al is aangegeven dat het in onze ogen toch een vrij duidelijk gebod is, toch zie je dat de uitwerking daarvan veelomvattend kan zijn. Hier is duidelijk de tekst: ‘ Wie oren heeft die hore... ’ op zijn plaats. Je zou kunnen zeggen dat dit een voorbeeld is van de manier waarop de joden met de wetten van Mozes omgaan. Daarom zeggen wij, zoals al in Jesaja 56:2 staat: ‘ Welda- dig ieder mensenkind, dat de sabbat houdt .’ Als je op deze intense manier al deze wetten van Mozes bestudeert en naleeft zoals het de joden is voorgehou- den, dan hebben we het (inderdaad) over een andere werkelijkheid. ● Over de auteur Wies Kuiper (1935) is eerstaanwezend priester van de kerkgemeente Zwolle. Zij werd op 5 november 2005 gewijd tot priester. Tot in medio 2017 was zij daar- naast voorzitter van de Clericale Synode. Van beroep was zij lerares in het middel- baar onderwijs en daarin heeft zij vele jaren beroepsmatig gewerkt. De laatste dertig jaar is haar aandacht vanuit de vkk -gedachte gericht geweest op theosofie . Zij heeft hierin veel gestu- deerd en lezingen gegeven, zowel in Neder- land als daarbuiten. Nog steeds geeft zij leiding aan het theo- sofisch studiecentrum Lanoe (dat betekent ‘leerling’) in Zwolle.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=