Reflectie2(1).vp

Ontwaakt, gij die slaapt! Johan Pameijer Langzaam smelt de winter weg onder de toenemende kracht van de lentezon. De krokussen tillen hun kopjes uit de aarde en de jonge tulpjes strekken zich ontwakend uit. De eerste in- secten leven op uit hun winterdomein en vliegen zoemend de wijde wereld in. Zo is het altijd geweest en zo zal het over dui- zend jaren nog zijn. De eeuwige cyclus van de natuur herhaalt zich onophoudelijk. Iets van oneindigheid ligt besloten in de zichtbare reïncarnatie van wat in de herfst schijnbaar stierf. De echo van het Stille Nacht sterft langzaam weg en maakt geleidelijk aan plaats voor de paastijd. Maar vraag honderd mensen naar de betekenis van Pasen en zeventig zullen het antwoord schuldig blijven. Onze mentaliteit van hebzucht en actie heeft ons blind gemaakt voor het mysterie. De komst van de lente is een vanzelfsprekendheid, waar niet over wordt na- gedacht. Wie raakt nog opgewonden bij de gedachte aan de geweldige natuurkrachten die de lente mogelijk maken? Wie gelooft nog in de processen die naar de opstanding leiden? Zolang de mens gast is op deze planeet, maakte het mysterie van de lente diepe emoties in hem los. Zich uitrekkend ontwaakte hij uit zijn winterslaap en reikte naar Vader Zon, die hij als een god vereerde. In de gretig om zich heen grijpende vegetatie her- kende hij de eeuwig jeugdige godin, die hij onder verschillende namen vereerde. Gaia, moeder Aarde, wekte diepe liefdesgevoe- lens op. De vlinders in de buik speelden op als reactie op het los- brekende mysterie van de eeuwige liefde. Het Paasfeest is nog altijd de bekroning van deze wonderlijke ervaring. De christelijke mythe van de uit de dood herrezen Heer wor- telt in oeroude godenverhalen. Elk voorjaar liep het Soemeri- sche volk uit om de opstanding van hun hemelgod Mardoek mee te beleven. De god verbleef in een onderaardse kerker. Gedwee liet de vorst van het land zich als zondebok bekogelen met de slechtheid van de mensen. Hij offerde zich aan de god, die daarna uit zijn graf zou komen om in triomf te worden rondgedragen door de stad, luid toegejuicht door tienduizenden toeschouwers. Door zijn verschijning konden zij zondevrij aan het nieuwe jaar beginnen. Tweeduizend jaar voor het begin van onze jaartelling vereerden zij de oude Mardoek, omdat hij ge- storven was voor hun zonden en herrezen was uit het graf. Altijd voelden mensen overal ter wereld de behoefte om te visualiseren wat diep in het hart van de natuur onder ernstig stilzwijgen elk jaar opnieuw plaatsgrijpt: de opstanding. Elk volk en elke stam, had zijn opstandingsgod, die omgeven met ingrijpende rituelen stierf en uit de dood terugkeerde in het le- ven. Ze zagen hun goden als de verlossers. Een van mijn favo- riete auteurs, Erich Zehren, noemt in zijn boek “De gekruisig- de god” een hele reeks godheden die aan deze beschrijving be- antwoorden. De Thracisch-Griekse Dyonisos, de wijngod, de Syrische Adonis, de Heer, wiens naam sterk verwant is aan het Hebreeuwse Adonai, “Mijn Heer”, maar tevens de Phoenische Esmun, de Grieks-Romeinse Asklepius, Herakles van Tyrus, de Soemerische Tammoez, de herder, de Phrygische Attis en niet te vergeten de charmante Isjtar, wier naam doorklinkt in de Engelse naam voor Pasen “Easter”, om van het Duitse Ostern nog maar niet te reppen. Onze eeuw gaat gebukt onder de verregaande arrogantie deze oude religieuze gebruiken als heidendom en bijgeloof af te doen. Waren al die miljoenen godenvereerders uit de oud- heid dan achterlijk of verblind door de waan van volksgekte? Hun dagelijkse leven was gekoppeld aan natuurlijke proces- sen. Als de zon onderging kropen ze in bed en zodra de zonne- god zijn eerste lichtstraal over het slapende landschap goot, wierpen zij het dek van zich af en begonnen aan de arbeid. Ze voedden zich met wat het land opleverde, en niets overtolligs leidde hun aandacht af. Hun dagen verliepen in een gezapig tempo, met veel ruimte voor de goden, die hen bij elke stap vergezelden. Ongeveer zoals de Emmausgangers met Jezus opliepen, zonder te beseffen wie hij was, verkeerden zij met hun godheden. Die maakten deel uit van het dagelijks leven dat vol zat met rituelen. Ja, zullen wij zeggen, zij hadden toch niets anders te doen. Maar dan maken we er ons een beetje te gemakkelijk van af. Wie wel eens een paar weken onafgebroken in de natuur heeft gebivakkeerd, begrijpt wat natuur in iemand teweeg brengt. Zo iemand krijgt gevoel voor de geheimen van leven en dood. Elke plant en elk dier heeft zijn eigen bedrijvigheid. Al die levens volgen hun eigen lijntje en met elkaar spinnen ze het netwerk van intens, geheimzinnig leven, niet onderbroken door de in feite onzinnige bedrijvigheid boven is, waar mense- lijke gemeenschappen zich aan schuldig maken. In de natuur weerspiegelt zich de kosmos op de wijze, zoals door Hermes Trismegistos in de eerste eeuwen van onze jaartelling zo gran- dioos is verwoord in de Tabula smaragdina: “Het is waar! Het is zeker! Het is de volle waarheid! Wat beneden is, is gelijk aan wat en wat boven is, is gelijk aan wat beneden is, opdat de wonderen van de Ene zich voltrekken.” De magie van deze oude volken is hun verbondenheid met de natuur. Zij maakten deel uit van de natuur en bespeurden de natuurlijke processen in hun bloed. Dood en opstanding van hun goden voltrok zich daadwerkelijk in hun ziel. De verandering die het verschijnen van de Verlosser teweeg bracht, had de waarachtige impact van een wedergeboorte. Geheel vernieuwd begonnen deze volken aan een frisse jeugd, vol jong elan en een diep vertrouwen in de rechtvaardigheid van de goden. Deze verloren geestesgesteldheid ontberen wij. Losgescheurd uit het natuurgebeuren en in beslag genomen door wedijver en economisch gewin, zijn wij de betekenis van het paasfeest uit het oog verloren. Daardoor brengen wij onze ziel ernstige schade toe. Feesten als Kerstmis, Pasen en Pinksteren voeden de ziel en ver- binden ons innerlijk aan de natuurlijke processen. De gang van Jezus naar het kruis is de oude processieweg van de zondebok, en zijn graflegging herinnert aan de kille winter, wanneer de natuur in haar schijndood slaapt. Zijn op- standing uit het graf heeft niets tegennatuurlijks. In tegendeel, niets komt meer overeen met wat er onder de aarde plaats grijpt, als de sneeuw nog op de velden neerdwarrelt en het ijs 11 Reflectie 2(1), maart 2005

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=