Reflectie15-winter2007.vp

Een visie van een “buitenstaander” op een onderdeel van het vrij-katholieke gedachtegoed “De VKK eerbiedigt de broodnodige vrijheid en huldigt de oude gnostische gedachte, dat religie boven uiterlijk gezag gaat en daarmee boven het dogma staat.” Hans Hamaker Op zondag 28 oktober 2007 hield Hans Hamaker, van uitge- verij Symbolon, het reeds eerder geboren boek van Johan Pa- meijer “Gods kanalen” ² ten doop, bij gelegenheid van diens 25-jarig priesterjubileum, te Raalte. Hij hield daarbij een toe- spraak, waarvan we hier het centrale gedeelte weergeven. Hans Hamaker maakte voor het eerst kennis met Johan Pa- meijer n.a.v. diens boek “De vergeten Waarheid” ¹ Toen ik het manuscript van „De vergeten waarheid” begon te lezen, was er niets wat aan een oude kloof tussen mijn wereld en die van de Jehova’s herinnerde. „De vergeten waarheid” bevatte namelijk een brug. En die brug is de psychologie van de Zwitserse psychiater Carl Gus- tav Jung. Jung heeft met zijn psychologische leer – als ik het zo mag noemen – een kader geschapen waarbinnen de mens niet tot een informatieverwerkend uiterlijk object wordt gereduceerd, maar waarin beleving een voorname en waardige rol speelt. Jaren geleden had mijn vrouw een psycholoog op les – er zijn er meer geweest –, die in het tweede jaar van de driejarige Jungcursus afhaakten. Hij had de bewonderenswaardige moed om ons te vertellen waarom hij afhaakte: „Het komt me te dichtbij”. Dichtbij, dat is een intense beleving. Dat is Jung. Psychologie is de studie van menselijke objecten, maar bij Jung word je willens of onwillens zélf het object. Het gaat hier niet om de persoon Jung, maar zijn psycholo- gie staat niet los van zijn innerlijke strijd als zoon van een pre- dikant – van een vader, die ondanks zijn ambt, met zijn geloof worstelde; maar ze staat ook niet los van paranormale gaven in zijn familie. Het gaat hier om wat daaruit is voortgevloeid: een leer die, in tegenstelling tot de huidige academische psychologie, het religieuze niet uitsluit, maar juist insluit. Op de een of andere manier lijkt onze huidige kennis van de onbezielde natuur onze beleving van onze eigen bezielde natuur in de weg te staan. Een hilarisch – of juist droevig – stemmend staaltje daarvan las ik in het jongste nummer van „Mind”, een uitgave van de „Scientific American”. Eén artikel trok onmiddellijk mijn aandacht: „Op zoek naar God in de hersenen.” Eén van de onderzoeken die werden vermeld, werd verricht aan vijftien Rooms-Katholieke nonnen. Boeddhisti- sche monniken schijnen voor dergelijk onderzoek ook erg in trek te zijn. Het onderzoek was bedoeld om na te gaan of er bepaalde hersendelen werden geactiveerd tijdens religieuze meditatie en de beleving van verbondenheid of eenheid met God. Op zich is zo’n onderzoek legitiem; het is heel aanneme- lijk, en zelfs vastgesteld, dat bepaalde vormen van gebed, me- ditatie of innerlijke verdieping activiteit van bepaalde hersen- delen laten zien. Om te achterhalen wélke, werden de nonnen – niet in habijt maar in T-shirt en ziekenhuisbroek – één voor één de MRI-scanner in geschoven. Terwijl zij zich religieus concentreerden, werd met behulp van sterke magneten en mag- netische resonantie van het weefsel hun hersenactiviteit in drie dimensies in kaart gebracht. In de terminologie van het vakge- bied heet dit: het bestuderen van de neurale basis van religieuze beleving. Maar hoe zelfs lévende materie überhaupt tot zoiets irrationeels als beleving komt, laat staan tot religieuze beleving, is nog altijd een absoluut en onaangetast mysterie. De uitkomst kon dan ook alleen het antwoord geven wáár in de ruimte van onze hersenen activiteit optreedt en of er een verband zou kun- nen zijn met andere activiteiten waarbij dezelfde hersendelen geactiveerd zijn. Op dat eerste kreeg men min of meer antwoord – er zijn Godsplekken (god spots) aan te wijzen. De nonnen waren overigens verheugd: het onderzoek be- vestigde Gods interáctie met hen. Het onderzoek vertelde hun (of ze er iets van begrepen of niet) dat God in elk geval kana- len had, Godskanalen, waarlangs communicatie kon plaatsvin- den. De onderzoekers waren ook verheugd: ze hadden Gods- plekjes in de ruimte binnen de schedel gevonden. Zij zullen, naast hun wetenschappelijke, hun persoonlijke, subjectief ge- kleurde conclusies trekken, zoals alle mensen doen. Objectief en subjectief delen echter één conclusie: welke plekken of neurale net-werken we ook vinden, ze kunnen het bestaan van God bevestigen noch ontkrachten. Ikzelf geloof niet in Godsplekken, of in hersendelen die verantwoordelijk zijn voor ons godsbeeld. Ik kan me ook niet thuisvoelen in dogmatische geloofsvoorschriften. Zoals ‘de’ we- tenschap God nooit kan vinden in organische hersenkernen, laat staan ontmoeten, zo kun je God evenmin ontmoeten langs we- gen die anderen hebben voorgeschreven. Om God te zoeken moet je de grenzen van jezelf leren kennen en beseffen dat er voorbij die grenzen méér is. Om God te kunnen vinden moet je eerst jezelf vinden. De Vrij-Katholieke Kerk eerbiedigt deze broodnodige vrijheid en huldigt, voor zover ik weet, de oude gnostische gedachte dat religie boven uiterlijk gezag, en daar- mee boven het dogma staat. Ze steunt op gnosis, het Griekse woord voor kennis, zij het geen gewone kennis. In de klassieke Oudheid moet op de tempel van Delphi te lezen zijn geweest: Gnothi seauton, ken uzelve. De stam van ‘gnothi’, gno-, vinden we behalve in ‘gnothi’ en in ‘gnosis’, ook in het Latijn terug, in ‘co-gno-sco’, dat ‘kennen’ betekent. Toch heeft kennis in het Latijn niet die stam gno-. We vinden ‘scientia’, kennis of weten- schap, een afleiding van scire, dat is ‘weten’. De stam daarvan is sci-, van een ouder skei-, dat we ook terugvinden in het histo- risch verwante Nederlands in woorden als ‘scheiden, schillen, verschillen’. Gnosis is geen wetenschap, geen scheidende, afge- splitste kennis; gnosis is kennis die synthese en eenheid zoekt, verschillen en scheidingen opheft of overbrugt en de gefrag- menteerde beleving heelt.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=