Reflectie 8(3) herfst 2011.vp

Een Voorpublicatie Marcel Messing: Meester van de Eindtijd... Altamira 2011. ISBN 978 90 696397 6 Met toestemming van de uitgever hier een voorpublicatie van het eerste hoofd- stuk van het binnenkort te verschijnen boek van Marcel Messing. De schrijver heeft zich in dit boek laten inspireren door Kahlil Gibran. Een citaat “Als de grond hard en weerbarstig wordt, ri- vieren hun zilverglans verliezen, de hemel zijn gouden sprei niet meer openvouwt, het vuur zijn koperen gloed is kwijtgeraakt, maak dan je hart tot een vallei waar het goud van de liefde overvloedig wordt ge- koesterd, waar zilveren ochtendlicht het innerlijk landschap vult, waar je edele ziel zich voedt met gouden gedachten van waarachtigheid, waar nectar van de gouden zonnebloem je gehemelte streelt, waar ta- marinde en tamarisk heerlijk geuren en duizend bloemen bloeien in het landschap van de geest. Laat nimmer het ijzer van de wereld je hart bezwaren, delf goud op in de schatkamer der herinnering en plant de gouden banier van licht en liefde in je hart als teken van je gouden kracht. Al dreunen ijzeren voeten van ijzeren reuzen met ijzeren gees- ten en ijzeren stemmen over de aarde, al wordt ijzer overal zichtbaar, nimmer heeft de schepping haar gouden glans verloren. Als straks de laatste slagen op de gong van ijzer klinken, zorg dan dat je hart een smidse is geworden waarin het gouden zonlicht straalt en richt je ogen op de sterren.” Een vuur uit de hemel Ze zijn er altijd geweest. Profeten, mystici, leraren. Sprekende en zwij- gende meesters. Oudere broers en zusters. Verlichten en avatars, meesters van wijsheid en aan het eind van iedere cyclus een Meester van de Eindtijd. Steeds bereid om de zich ontwikkelende mensheid te helpen en bij te staan. Zichtbaar als de golfslag van de zee of onzicht- baar als de wind. Reizend van land naar land of teruggetrokken in een grot in de bergen. Sprekend voor grote menigten of onbereikbaar in een kluis in de woestijn. Geen tijd was er dat ze er niet waren. Geen tijd zal er zijn dat ze er niet zullen zijn. Totdat in ieder mens afzonder- lijk de cirkelgang van de tijd tot een einde komt, de slang in zijn eigen staart hapt, het innerlijk einde der tijden aanbreekt en het stiltepunt van al wat is geweest, teruggenomen wordt in een nacht die duisternis noch licht bevat. Boven tijd en ruimte, boven alle dualiteit is het ene, waarin alle te- genstellingen samenvloeien. In de eeuwige bron van het zijn wordt geen oorsprong gevonden. Onophoudelijk omhelzen stilte en woord el- kaar. Rust en beweging, een eeuwig ebben en vloeden. Vanuit de tijd- loze bron laten de boodschappers van de geest onophoudelijk het wa- ter van wijsheid stromen om de dorst te lessen van hen die verlangen naar waarheid, om de honger te spijzigen van hen die zoeken naar geestelijk voedsel, om het vuil van de wereld weg te spoelen met le- vend water van inzicht. Hun liefde straalt als een vuurtoren over heel de wereld. Hun handen reiken naar alle windstreken. Hun woorden, fluisterend of luid gesproken, zijn als genezende balsem. Hun voetstap laat slechts een spoor na in het hart. Hun verpozen onder de mensen brengt de grote zanger wind in beweging, die liederen van liefde zingt voor verdwaalde zielen. De helpers van de mensheid verschijnen altijd op de juiste tijd. Zo ook de Meester van de Eindtijd. Loopt een grote cyclus van het be- staan ten einde, dan betreden zijn voeten de aarde. Zij die de mens- heid voortstuwen op het pad van licht en liefde worden niet vermeld in de boeken der geschiedenis, wel de roemrijke daden van de machti- gen der aarde – bladzijden die in de herfst van het leven vergelen en verdorren en door de noordenwind als stof over de woestijn van onwe- tendheid worden weggeblazen. De Meester van de Eindtijd schrijft zijn woorden in de harten van de mensen, verjaagt de schimmige leugens der geschiedenis door het boek des levens te openen. Met het vlam- mend zwaard van inzicht scheert hij de dikke schimmel van onwetend- heid op de ziel der mensen weg. Donkere wolken van waan laat hij oplossen in het licht van de waarheid. Als de mens vastzit in een moeras van verlangens, het doel van het leven niet meer wordt gekend, een giftig spinnenweb van zinloos- heid zich over heel de wereld spreidt, de verbinding tussen hart en hoofd verbroken is en waanzin regeert, dan werpt de Meester van de Eindtijd in de voortrazende rivier van vernietiging een dam op, wijst de richting naar huis. Zoals een schip in de mist, dat vlak voor de thuisha- ven te pletter dreigt te slaan tegen een rots, gewaarschuwd wordt door misthoorn en licht van de vuurtoren, zo blaast de Meester van de Eind- tijd op de hoorn van waarheid en zendt hij zijn licht van liefde uit om te voorkomen dat het schip van de mensheid stuurloos ronddrijft in de hoge levensgolven en te pletter slaat tegen de rotsen van leugen en il- lusie. Hij opent de versteende harten, die het stromend levenswater niet meer kunnen ontvangen. Hij trekt leugenmaskers af, die het oor- spronkelijk gelaat bedekken. De duistere kracht tast hij tot in haar we- zen aan. Hij raakt de mensen tot achter hun verblinde ogen, laat tra- nen van licht en liefde weer vloeien, reikt hun die thuis willen komen in zichzelf het kompas van inzicht, waarheid en liefde aan. De Meester van de Eindtijd is profeet, mysticus en leraar. Hij be- roemt zich op geen enkele verdienste, openbaart de samenhang van al wat is, onderricht dat alle gedachten, woorden en daden gevolgen hebben, dat er een onverbrekelijke band is tussen hemel en aarde, dat het leven uitstijgt boven tijd en ruimte, dat het heelal ontelbaar veel ge- heimen bevat waarvan de mens nog nimmer droomde, dat een on- zichtbare kracht die begin noch einde kent alles doordringt, dat alle le- vensvormen, zichtbaar of onzichtbaar, ontzagwekkend groot of micros- copisch klein, uitdrukking zijn van die ene kracht, dat het menselijk ge- laat een spiegel is van het zijn, dat het leven persoonlijk en onpersoon- lijk is, dat het ene ook de Ene is, dat de rede veel vermag, maar zich buigen moet naar het hart als ze de stille stem van het grondeloos mysterie horen wil. Soms daalt de Meester van de Eindtijd af in een moederschoot. Zijn geboorte gaat dan vergezeld van bijzondere verschijnselen. Soms ook verschijnt hij plotseling. Niemand weet waar hij vandaan komt. Hij is een stralend licht dat geboren wordt in de duistere nacht van onwetendheid. En zo plotseling als hij verschijnt, zo plotseling verdwijnt hij ook weer uit het zicht. Geen hand kan hem vasthouden. Zelfs zijn mantel ontglipt aan de vingers die er zich naar uitstrekken. Niet zijn gestalte is van belang, maar hetgeen hij onderricht. Niet zijn vermogens, die sluimeren in ieder mens, staan voorop, maar de richting die hij wijst. Niet zijn woorden we- gen het zwaarst, maar de stilte die erin verborgen is. Sommige meesters komen aan per schip en vertrekken per schip. Ze werpen het anker van liefde in de zee der veranderingen, vormen een levende brug tussen aankomst en vertrek, leggen de loopplank van inzicht uit naar het hart, waarin de oevers van tweeheid samenkomen. ‘Almoestáfa, de uitverkorene, beminde en ochtendgloren van zijn ei- gen dag, had in de stad Orfaleze twaalf jaar gewacht op zijn schip, dat weer zou keren om hem terug te voeren naar zijn geboorte-eiland. En in het twaalfde jaar, op de zevende dag van Ailoel, de oogstmaand, be- klom hij de heuvel buiten de stadsmuren en richtte hij de blik zeewaarts. En zie, hij zag hoe zijn schip binnenliep met de mist. Toen zwaaiden de poorten van zijn hart wagenwijd open en zijn vreugde vloog uit ver over zee. Hij sloot zijn ogen en bad in de stilten van zijn ziel.’ Met deze woorden begint De Profeet van de Libanese dichter, schilder, filosoof en mysticus Kahlil Gibran (1883-1931). Almoestáfa, ‘profeet van God’, een ‘zwerver in de wind’, onderrichtte in stilte en met woorden. Hij was een vriend van de mensen, een ‘harp’ waarvan de snaren bewogen werden door ‘de hand van de Almachtige’, een ‘fluit’ waardoor de adem van het ene heen ging, een ‘middagstond’ in de schemering van onwetendheid, ‘een zoon en dierbare naaste’ van hen bij wie hij twaalf jaar vertoefde. Als de zieneres Almitra, die al vanaf de eerste dag dat hij in Orfaleze verbleef de grootheid van de ‘profeet van God’ had herkend, hem vraagt te spreken over het geheim van de dood, onderricht Almoestáfa de bewoners van Orfaleze over datgene wat hun ziel beroert. Als hij gereed is om te vertrekken zegt Almitra: ‘Gezegend zij deze dag, deze plaats en uw geest die heeft gesproken.’ En hij antwoordde: ‘Was ik het die sprak? Was ook ik geen toehoor- der?’ Aan boord van het schip wendt hij zich nogmaals tot de menigte 31 Reflectie 8(3) najaar 2011

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=