Reflectie herfst 2012.vp

Humor is voedsel voor de ziel Paul van Rooijen Als eindredacteur zie ik alle woorden voor een nieuw nummer voorbij komen, zo gaat dat. In al die woorden springt soms een idee, een gedachtevorming eruit. Zo zal het de lezer zelf ook wel vergaan. Maar voor het herfstnummer sprong voor mij dit keer een naam er extra bovenuit: iman Abdulwahid van Bommel (zie het artikel ‘Zien wat verborgen is’, door Ojas Th. De Ronde). Ik herinnerde me een boek dat hij schreef. Een boek dat ik met ontzettend veel plezier gelezen heb. En met die herinne- ring was er weer de pret en verwondering. Het boek heet ‘Valt er nog wat te lachen met die moslims’ (1) . Geschreven relatief kort in de tijd na 11 september bevat het bijvoorbeeld een hoofdstuktitel als ‘Mijn naam is Shazia Mirza, tenminste dat staat op mijn vliegbrevet.’ (2) . Op de cul- turele en religieuze voors-en-tegens, in beide ‘kampen’, van het mogen maken cartoons wordt ingegaan. Moslimhumor wordt gespiegeld aan bijvoorbeeld Joodse humor: ‘Lieve God, help mij opstaan, vallen kan ik zelf.’ En hedendaagse moslim- komieken worden uitgelicht. Abdulwahid schrijft ondermeer: “Vergis je niet. Humor komt voort uit groot drama. Het is huilen en lachen dat zich een uitweg zoekt bij het verwerken van onze menselijke fouten, zonden, ellende en tekort. Het is de “loser” die we herkennen, waarin we om onszelf kunnen lachen: de stoethaspel, de anti- held, de treurige clown. (…) Die ons een spiegel voorhoudt van menselijk onvermogen tot liefhebben, tot goed doen, tot perfectie. Om humor te kunnen plaatsen ga ik voor de rest van dit humorpamflet shoppen bij Freud, Koestler, Bergson en an- deren. Maar de diepe definitie van humor als levensbehoefte, de lachspiegel als levensspiegel, komen we bij hen niet tegen. Volgens mij hangt die spiegel thuis aan de muur van wijze rebbes, lieve bourgondische paters en zeldzame humoristische imams als Nasroeddin, de Tijl Uilenspiegel van de islam." (3) . Nasroeddin, de grootmeester van de lach, leefde in de 13e eeuw. Hij was een goed pedagoog en observator van de sa- menleving en de mensen van zijn tijd. Gevraagd of onge- vraagd gaf hij zijn inzicht of mild oordeel, met vriendelijk- heid, tolerantie en een lachend gezicht. Als volksgeleerde slaagde Nasroeddin erin op hartverove- rende wijze de mensen voor zich te winnen. “Nasroeddins ei- genzinnige visie is gebaseerd op moed en gezond verstand. (…) Hij laat ook het menselijk tekort zien op het moment dat zijn ‘tegenstander’ zijn macht wil tonen.” (4) “De verhalen van Nasroeddin laten in veel levenssituaties zien dat je als mens kunt proberen om je kennis, je technieken en vaardigheden te verbeteren, maar als andere basiskennis ontbreekt, je in feite schade kunt aanrichten.” (5) “Dit doen we dat ook met spirituele leringen. We proberen ze aan te passen aan onze vooropgezette ideeën. Als we dat in de gaten krijgen, dan begint het leerproces pas echt.” (6) . Willen we voorbij de dualiteit raken dan moeten we ook ons denken onder handen nemen. Het boeddhisme bijvoorbeeld gebruikt hiervoor de traditie van de paradoxale verhalen. Een paradox is niet uit te leggen, die moet je vatten. Humor ligt hier heel erg dicht tegenaan. Een grap kun je niet uitleggen, die moet je vatten. Soms trad Nasroeddin als rechter op.: Op een dag kwam er een haveloze figuur het gerechtshof bin- nen rennen die om gerechtigheid riep. ‘Ik ben beroofd, alles is mij ontstolen!’ Hij jammerde en schreeuwde maar door. ‘Het is net buiten het dorp gebeurd, het moet iemand van hier zijn! U moet die boef vinden. Mijn zwaard, mijn mantel, zelfs mijn laarzen heeft hij gestolen!’ ‘Laat eens zien,’ zei Nasroeddin.’Hij heeft uw hemd dus niet meegenomen, want ik zie dat u dat nog steeds draagt?’ ‘Nee, dat heeft hij niet gestolen.’ Nasroeddin streek peinzend met zijn hand over zijn baard: ‘Dan kan het nooit iemand van hier zijn. Hier doen we alles grondig. Ik kan uw zaak niet behandelen.’ (7) . Oog om oog, tand om tand: Een arme man in Aksehir liep langs de keuken van een res- taurant met in z’n hand een stuk brood dat hij net had gekre- gen. Hij rook dat er een grote ketel hachee stond te pruttelen. Hij had natuurlijk geen geld om er een bord van te bestellen. Hij hurkte naast de ketel neer en hield zijn stuk brood in de wasem die van de ketel kwam. Zo maakte hij het brood warm en zacht en vulde er zijn maag mee. Toen de kok dat zag eiste hij geld van de arme man. De arme man beweerde bij hoog en laag dat hij niets uit de ketel nam, maar de kok bleef erbij en wilde geld zien. Uiteindelijk kwam de zaak voor de rechter, inderdaad rechter Nasroeddin. En hij paste hoor en wederhoor toe. Toen hij het verhaal van de arme man had gehoord, begreep Nasroeddin hoe de vork in de steel zat. Hij haalde uit zijn zak wat geldstukken en riep de kok. Hij liet het geluid van rammelende geldstukken aan de kok horen en zei: “Hij die de wasem van zijn eten verkoopt ontvangt daarvoor het geluid van geld.” (8) Tenslotte: Op een warme zomerdag stapte Nasroeddin Hod- ja van zijn ezel om te rusten in de schaduw van een walnoten- boom. Voordat hij aan zijn middagdutje begon keek hij nog even om zich heen. Zo ver hij kon zien lagen de watermeloenen te rijpen. Hij dacht even na en zei tegen zichzelf: ‘Hoe vreemd is het toch dat God de watermeloen laat groeien aan zo’n klein steeltje, terwijl de noten zo’n grote boom nodig hebben.’ Hij nam zijn grote tulband van zijn hoofd en krabde zich eens gezellig op zijn hoofd voordat hij aan zijn dutje begon. Toen viel er een walnoot uit de boom, recht op Hodja’s hoofd. Hij was meteen weer bij zijn positieven en zei: ‘Allah weet het ook altijd beter. Hij weet ook wat er gebeurd zou zijn als er watermeloenen in deze boom hadden gegroeid.’ (9) . ‘Valt er nog wat te lachen met die moslims’ leest als een trein, geeft veel plezier en is hartverwarmend. Paul van Rooijen is zingevingstherapeute en diaken in de kerkgemeente te Den Haag. Noten: 1 Uitgever Bulaaq, Amsterdam 2007; 2 p. 129, e.v.; 3 p. 26; 4 p. 96; 5 p. 101; 6 p. 101, 102; 7 p. 102; 8 p. 102, 103; 9 p. 108. 28 Reflectie 9(3), herfst 2012

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=