reflectie78(1-2).vp
zijn. Alle zijnden dragen de verborgenheid en iets van de on- verborgenheid van het ZIJN in zich. De mens is één van de zijnden. In vermoeden en verwon- dering kunnen we ons dus afvragen wat dat inhoudt in en voor onze existentie. Philippus’ woorden misbruikt Zoals alle zijnden een afspiegeling zijn van het ene ZIJN, en het leven van het mystieke Leven, zo is de dood een afspiege- ling van de mystieke Dood. Omdat onze aardse dood vaak liever buitengesloten wordt, menen we in onze menselijke arrogantie wel eens méér te kun- nen zeggen over de mystieke Dood dan dat we werk weten te maken van onze “menselijke” dood. Zweven we soms niet wat makkelijk, door praten, spreken, preken en schrijven over de mystieke Dood en vooral natuurlijk over de mystieke Opstan- ding? In het gnostische Evangelie volgens Philippus wordt toch immers gesteld: ”Zij die zeggen: ’De Heer is eerst gestor- ven en toen opgestaan’, die dwalen. Want Hij is eerst opge- staan en toen gestorven. Als iemand zich niet eerst de opstanding verwerft, kan hij niet sterven. …”. (Logion 21) . Het gedachtegoed van reïncarnatie is de Vrij-Katholiek niet vreemd. Als we in ons aardse leven een scholingsweg gaan, neemt die vele jaren in beslag. Er vindt telkens een ‘overgang’ plaats naar een volgend studiejaar, weer een nieuw leerjaar voor verdere ontwikkeling. Zo staan geboorte – dood – wedergeboorte in cycli op weg naar de Opstanding. Als die bereikt is, sterven we pas onze laatste existentiële dood, aan het einde van onze laatste incarnatie. Leven en dood zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden in onze existenties. Die existenties zijn onze leerscholen. Waar- om verlaten we dan zo vaak de klas en volgen de les niet? Hier, in déze existentie, nú, dáár is onze plaats om te werken in ons leven aan de dood. Mystieke dood en Opstanding zullen ooit wel eens komen. Of ménen we die elk jaar wel met Pasen mee te maken? De werkplaats van leven en dood Daar waar de eenheid van leven en dood zich dient te verwer- kelijken is de werkplaats van en in onze existentie: het in-de-wereld-geplaatst-zijn. Alle schepping is een zijnde en dus een afspiegeling van het ene ZIJN. De wereld is een zijnde , waarin de mens leeft als een zijnde . De mens leeft als een zijnde in een tijdelijkheid van bestaan. Juist door en in de tijdelijkheid weet de mens dat zijn leven eindigt met een dood. De invulling van en de zingeving aan ons leven kan dus slechts plaatsvinden vanuit die dood. Echter, we hebben geen feitelijke kennis van de dood; en heb- ben we al een vorige dood meegemaakt, dan is die “kennis” bij de overgang naar wedergeboorte weer verhuld (misschien nu wat minder), want we worden weer geplaatst in tijdelijkheid . Misschien kunnen we een eerdere overgang als één van de ge- gevens zien binnen dat “ingeboren vermoeden” dat de mens heeft over de zin van leven en dood. Is de afwezigheid van kennis, of die verborgenheid, mis- schien dat wat filosoof Martin Heidegger wil uitdrukken in zijn woorden, dat ons leven steeds vooruit loopt op de uiterste , niet te achterhalen mogelijkheid: de dood ? Of betekent deze uitspraak eerder, dat de dood niet in te halen is, waardoor ons leven als het ware gedwongen wordt zich te richten op en naar de toekomst van de dood? Dan is de dood geen punt in de tijd, maar een toekomst waarheen ons zijnde op weg dient te gaan. Zien we die toekomst dan vooral niet als dat wat we in het normale spraakgebruik toekomst noemen! Die “niet in te halen” dood: we kunnen een vergelijking maken met bijvoorbeeld het nemen van een besluit en de uit- voering daarvan. De uitvoering kan het besluit nooit inhalen, altijd zal dat besluit voorafgaan en de uitvoering kan slechts volgen. Elke vergelijking gaat mank natuurlijk, maar toch: als leven en dood een eenheid vormen, is de dood dus a-priori vanaf het begin in onze existentie aanwezig; hoe kan die lamp anders branden, als die “min” er niet meteen is? Heidegger noemt het-in-de-wereld-zijn een Dasein , niet als een louter bestaan -op-zich, maar als een “Da – sein” , de mens als een zijnde dat tot verstaan is geroepen. Ons Da-sein , gericht vanuit de dood, roept ons op tot een zich-ontwerpen-in-de-wereld. Daardoor wordt existentie tot “ek-sistentie”: het naar buiten treden tot de zijnden die, als ma- nifestaties van ZIJN, in onze ‘bevraging’ zowel verborgenheid als onverborgenheid vertonen. We kunnen dat ook wel ont- moeting noemen, een ontmoeting met dat wat zich in en aan ons vertoont als zijnden , met de bedoeling erin door te drin- gen. Daardoor kan elk verborgen-zijn tevens openbaring zijn, elke duisternis tevens licht. Zichzelf-vooruit-zijn, door de dood, dient door be-vraging tot een verdere bewustwording en een groeiend bewustzijn te leiden. We dénken vaak dat we onderscheid kunnen maken tussen de delen van polariteiten, wat betreft hun zin, zo ook tussen de zin van leven en die van de dood, maar de zin van ‘polen’ wordt door die ‘polen’ zélf bepaald, wederzijds, elk als een deel van één geheel, van een éénheid, als weerspiegeling van het ZIJN. Be-vragen we de zijnden , dan ‘vragen’ we niet om een be- gripsmatig antwoord, maar om het be-vraagde te leren ervaren in zijn zin als zijnde , in een ontmoeting. De dood meedragen vanaf den beginne. Is dat niet in dat studiejaar zitten, waarin vanaf den beginne die overgang mee- genomen wordt? Onze studie wordt verricht vanuit die over- gang, zo niet, dan kunnen we te laat zijn. Als je een week voor je “test” tot de ontdekking komt, dat er nog heel wat boeken liggen die je nog moet bestuderen, zul je het niet meer redden. Toch heeft die literatuuropdracht zich het héle jaar aan je ver- toond, maar … “het komt nog wel”. Ja, een te late verontrus- ting dus in plaats van een zorgzaam-zijn. En de leerplicht in het universum van het ZIJN duurt ál onze existenties. De vraag is dan nog: hoeveel tijd hebben we in deze existentie, die van nu. Hoeveel tijd hebben we? Géén! De tijd is geen zijnde ; het is een maaksel van het dicta- toriale ‘men’. Tijd bestaat niet in het ZIJN, dus evenmin als zijnde . Alle zijnden zijn geplaatst in de tijdelijkheid . Dat is wezenlijk iets anders dan ‘in de tijd’. Het zich-ontwerpen-in- de-wereld vindt plaats in de tijdelijkheid van onze existentie. Toch is er ook in de tijdelijkheid sprake van een soort verleden – heden – toekomst, maar als wezenlijk andere begrippen dan die wij in de uiterlijke wereld ‘tijd’ noemen. We leven slechts in het ‘NU’, wordt alom beweerd. Is dat een moderne slogan, of zijn we ons bewust van wat dat betekent 13 Reflectie 1 (1-2) september 2004
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=