reflectie78(1-2).vp
in onze zelfverwerkelijking en bewustwording vanuit een visie op de dood? De verleden tijd in de betekenis van de klok, de datum, de kalender, ja die ligt waarlijk achter ons en komt niet meer te- rug. Vluchten in dát verleden is de blik achterwaarts gericht blijven houden om die mooie “oude tijd” te blijven vasthouden en om aan onze taak in het ‘nu’ proberen te ontsnappen. Even- eens geldt dat, wanneer we achterom blijven kijken, in de tijd, naar een somber verleden om te proberen onze problemen van toen alsnog te willen ontrafelen. In beide gevallen wordt ons bestaan in het ‘nu’ onvruchtbaar, zelfs onmachtig om voor- waarts te gaan naar onze zelfverwerkelijking, naar ‘ons ont- werpen’ in onze existentie, het ware ‘NU’. Zulk begrip van ‘verleden’ is wat in het Duits zo duidelijk wordt uitgedrukt in het woord Vergangenheit . Dat verleden is inderdaad ‘vergangen’, vergaan! Als er sprake is van een zich-ontwerpen , in de tijdelijkheid , bestaat echter wel degelijk dat wat Heidegger noemt: een “ Gewesen-sein”, iets wat de mens gewoon met zich meedraagt (moet dragen) op weg naar zijn dood. Het begrip ‘Gewesen-sein’ wordt steeds vertaald met ‘geweest-zijn”. Deze vertaling verleidt ons toch nog om te denken aan een (verleden) tijd. Ik vertaal het liever met het woord ‘ ge-wezen-zijn’ , (alhoewel een germanisme). We kun- nen dat omschrijven als datgene wat de mens reeds ontworpen hééft in zijn “Da-sein” , in zijn wezen; niet op een zekere tijd, maar in zijn ontmoetingen met andere zijnden . Het ‘ge-we- zen-zijn’ is dus niet een zijn dat áchter ons ligt, maar dat wij noodzakelijk meedragen in ons ‘NU’, het is er onderdeel van in ons zelfontwerp. Het is een zijnswijze die volstrekt thuis- hoort op weg naar onze bestemming. Het ‘ ge-wezen - zijn ’ is niet gebonden aan data, maar aan de ontmoeting met de zijn- den . Dat is geen ‘verleden tijd’ als ‘voorbije tijd’ of ‘vergane tijd’. Dat wat ik ontworpen heb in mijn wezen , dat blijft. Het blijft en is even aanwezig en tegenwoordig als “de dag van vandaag”. Het ge-wezen-zijn staat dus in het ‘NU’. Zo ook bestaat er een vlucht in de toekomst, waarin het ene plan en het ene voornemen het andere opvolgt, zonder dat ze meestal ook maar ooit worden uitgevoerd. En in onstandvas- tigheid, wispelturigheid, stemmingen, emoties en ook in ‘dro- men’ over de toekomst (in de tijd) wordt de keuze voor ‘morgen’ weer ingetrokken op ‘overmorgen’. Zulke vlucht in de toekomst van de tijd leidt ertoe, dat in het ‘nu’ niet meer tot voortgezette handeling wordt overgegaan. We raken in ver- warring en ontgoocheling. Niets kan nog een plaats gegeven worden. Wat toekomst is voor ‘morgen’, is ‘overmorgen’ immers weer letterlijk verleden tijd. Een toekomst echter die te maken heeft met een zich-ont- werpen als zijnde , geeft het verdere ontwerp aan naar een ‘wordend-zijn’ of een ‘kunnen-zijn’, ánders dan een planning voor de toekomst in de tijd. Het is zichzelf en de zijnden vérder willen en gaan bevragen. Die toekomst dus, die gebaseerd is op een zich ontwerpen naar en een vrij zijn bij de dood, behoort wel degelijk tot dat ‘NU’. Als we verleden en toekomst slechts zien als tijdsbepaling- en, dan ontstaan angst en onzekerheid in ons leven. Gerichtheid op zelfverwerkelijking maakt plaats voor angst en onzekerheid, waardoor het ervaren van ons Da-sein en het ontplooien van ons zijnde verdwijnen. We zijn dan nog slechts bezig in de uiterlijk- heid van ons bestaan, het meestal niet eens beseffend. Het ‘NU’ zou een léégte moeten zijn, in staat gesteld om ge- vuld te worden met dat ‘ge-wezen-zijn’ (“verleden”) en dat ‘kúnnen-zijn’ (“toekomst”), vooruitlopend op de dood. Dat “verleden” en die “toekomst” staan los van de tijd. Het ‘NU’ is de tijdelijkheid in déze existentie van dat zijn- de dat de dood onder ogen durft te zien als oproep tot zelf-ont- werp. En dan schuiven ‘ge-wezen-zijn’ en ‘kunnen-zijn’ in elkaar in dat ‘NU’. Dat is een ander ‘NU’ dan ‘nu’. De mythen Wanneer we nog zouden ‘denken’ dat ons zelf-ontwerp een zaak is van beredeneren, bewijzen of een spiritueel hoogstand- je, dan treden we juist buiten ons ‘spiritueel vermoeden’. Zo schrijft Heidegger: ”Misschien is de tijd gekomen om de oudste wijsheid van de mythe ons denken binnen te halen. Waagt ons denken die poging, dan moet het in een zelfstandi- ge aanpak de vraag ontwikkelen naar datgene wat de mythe oproept: de voor het denken voor-aanvankelijke wijsheid.” Het gaat hierbij om de mythen in hun totaliteit, niet slechts om die mythen die te maken hebben met ‘leven-dood-opstan- ding’. Het is dé mythe, van Oost tot West, van Noord tot Zuid, ingebakken vanaf den beginne in de mensheid. De Mythen zijn op hun beurt weer afspiegelingen van de Grote Mysteriën. Het zijn de mythen, van waaruit verborgenheid van Mysteriën kan leiden tot een zekere onverborgenheid daarvan. De dood kan ons fascineren. De dood is uiteindelijk niet het einde, maar een overgang van het ene leven naar het andere. Alle mythen in de hele wereld stemmen daarin over- een. Merkwaardig toch dat menselijk ‘vermoeden’: de dood als toegangspoort tot een nieuwe wereld, tot een nieuw leven. Waarom nog verontrust zijn? Frits Moers (Maastricht, 1940) is priester in de Vrij-Katholieke Kerk, momenteel werkzaam in de kerkgemeente Raalte. Tot augustus 1996 combineerde hij het priesterschap met zijn beroep in het Voortgezet Onderwijs, aanvankelijk als leraar Nederlands en Maatschappijleer, vanaf 1979 als directeur. Hij studeerde tevens Pedagogiek (MO-A), met speciale interesse in hulpwetenschappen als filosofie, psychologie en didactiek. * * * 14 Reflectie 1 (1-2) september 2004 Lachende Jezus - Limburgs kruisbeeld. Foto: Rudolf Smit Leven en Dood
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=