13(2)16

Reflectie jaargang 13nummer 2, zomer 2016 23 Jung vindt deze vraag begrijpelijk en terecht voor een rationeel verlicht mens, zoals die in de laatste eeuwen is opgevoed en geschoold. Wat hier echter speelt volgens Jung is het volgende: deze moderne mens weet die voor hem veelal metafysische voorstellingen – goden die incarneren, sterven en verrijzen, zielen in een hiernamaals, verlossing van de duivel, enzovoort – niet langer meer in verband te brengenmet universeel psychische gebeurtenissen in hemzelf. Ook al kun je ‘dewolf’ inRoodkapje niet empirisch registre- ren, hij bestaat wel degelijk als psychische werkelijkheid, bijvoorbeeld als het archetype van ‘de schaduw’. Doordat de moderne mens deze ‘overgang’ niet weet te maken, raakt hij steeds meer in een crisis en ontstaat er niet zelden een overspannen levenshouding. Het is volgens Jung dan ook niet toevallig dat psychologie, psychiatrie, psychothe- rapie en psychosomatiek zo sterk aanwezig zijn in de huidi- ge cultuur. Het lijkt wel of deze disciplines in de negentien- de en twintigste eeuw zijn uitgevonden vanwege de frag- mentatie en de desintegratie van de sociale structuren. Volgens Jung stagneert bij de moderne mens dus juist de integratie van onbewuste en bewuste strevingen. In waar- schijnlijk geen enkele cultuur heeft het bewuste ik zich zó los gezongen van zijn instinctieve basis als in onze ‘verlich- te’ westerse maatschappij. De vraag wordt dan, formuleert Jung: ‘ Hoe kan het vooruit geijlde, allerjongste bewustzijn weer opnieuwverbondenwordenmet het achtergebleven alleroudste, het onbewuste? Het alleroudste is de instinctieve basis. Wie de instincten over het hoofd ziet, wordt door hen van achteren over- weldigd, en wie zichzelf niet kan vernederen, die zal vernederd worden, waarbij hij tegelijkertijd ook de vrijheid, zijn kostbaar- ste goed, verliest. ’ Het is een bekende hypothese van Jung: eenmens die gebo- ren wordt, is niet alleen lichamelijkmaar ook psychisch al miljoenen jaren oud! Zoals het lichaameenmillennia oude evolutionaire geschiedenis heeft, zo is dat ookmet de psyche het geval. ‘ De voorouderlijke ziel is niet van vandaag of gisteren! Ze is vele miljoenen jaren oud. Het individuele bewustzijn is slechts de bloesem en vrucht van één seizoen, die ontsproten is aan het eeuwenoude wortelstelsel. Ons bewustzijn bevindt zich in een betere overeenstemming met de waarheid, wanneer het rekening houdt met het bestaan van het wortelstelsel, want dat is de moeder van alles. ’ Op dit wortelstelsel ontstaat het ‘ik’, dat een leven lang door hemgevoed en gedragen wordt. Jung vindt dat de moderne mens deze instinctieve basis verdrongen heeft en dat die alleen nog functioneert tegen de verdrukking in, dus meestal disfunctioneert. De moder- ne mens heeft er wel last van en raakt er ook lichtelijk door verontrust want hij snapt het niet. Voor hem, die alles onder controle meent te hebben, lijkt het of uit allerlei spleten en kieren, vulkanische krachten opborrelen, onruststokers om zo te zeggen. Dissociatieverschijnselen en schizoïde toestanden worden waarneembaar, irratio- nele stemmingsovergangen, depressies, onberekenbare affecten, suïcidale neigingen, plotselinge onlust, psychi- sche vermoeidheid, kortomneurotische verschijnselen van allerlei aard. De mensen uit de oudheid en grotendeels ook nog onze eigen overgrootouders, onbewust van hun projecties, wisten dikwijls hun onbewuste strevingen nog te kanali- seren. Ze ervoeren nog wel het onbewuste op zijn duivelse en goddelijke gronden. De moderne mens gelooft al die ‘flauwekul van opa en oma’ niet meer, maar heeft daarmee niet zelden het kindmet het badwater weggegooid. De onbewuste psyche van de moderne mens werkt immers nog steeds zoals hij miljoenen jaren lang heeft gewerkt. ‘ Wat te doen? ’, vraagt de patiënt In een voordracht uit 1933 illustreert Jung voor zijn gehoor de problematiek van de moderne mens aan één zo’nmens, iemand die zijn spreekkamer binnenstapt en hem thera- peutisch advies vraagt om van zijn stress af te komen. ‘ Onze patiënt, ’ zegt Jung, ‘ is een intelligent mens; hij heeft alle drankjes al geslikt, de goede en de slechte; hij heeft geluisterd naar alle raadgevingen van goedbedoelende mensen; hij heeft elk dieet geprobeerd. ’ Hij stapt ten lange leste vol twijfel de kamer van de psychiater binnen en stelt onmiddellijk de vraag: ‘ Wat te doen? ’ Enmet die vraag beginnen de moei- lijkheden. Want de patiënt zou eigenlijkmoeten vragen, stelt Jung, ‘ Wat niet te doen? ’ Hij moet gebracht worden naar een plek waar zijn ik-bewustzijn een grote stap terug moet doen. Hij moet inzien dat hij nog vastzit aan één grote projectie, die van het rationele ‘ik’ als almachtige god, als drager van goed en kwaad, als rechter over waar- heid, goedheid en schoonheid. Ernstig advies van Carl Gustav Jung: ‘Let op uw dromen!’ Jung en de ‘moderne mens’ Jung verstond onder de ‘moderne mens’ de westerse mens die een grote kloof constateert tussen zijn dage- lijkse ervaringen en allerlei geloofssystemen die hem tot voor kort als feiten los van die ervaringen voor- gehouden werden. Wat voor relatie hebben die bovennatuurlijke, irrationele waarheden nog met de wereld van alledag, waarvan de tastbare kant zo exact door de natuurwetenschappen geregistreerd wordt? dr. Tjeu van den Berk Originele kleurenfoto (rond 1960) van Carl Gustav Jung

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=