13(2)16
Reflectie jaargang 13nummer 2, zomer 2016 24 Maar daarvan loskomen, lijkt haast a priori uitgesloten want onze patiënt ‘ lijdt vooral aan de ziekte van het alles-toch- al-beter-weten-dan-wie-ook en er bestaat eenvoudig niets dat niet reeds ergens op de juiste wijze is geclassificeerd; en wat zijn eigen ziel betreft, die gehoorzaamt uitsluitend nog aan zijn verstand. ’ Bergson schrijft ergens: ‘ Er zijn dingen, waar alleen het verstand naar kan zoeken, maar die het, steunend op eigen kracht, nooit zal vinden. Die dingen zou alleen het instinct kunnen vinden, maar dat zal ze nooit zoeken. ’ Levenskunst wordt dan dat het verstand, wetend waarnaar het zoekt, ruimte maakt voor het instinct, opdat dit vindt waar het niet naar zoekt! Maar dat is sneller gezegd dan gedaan. Achter dikke, mas- culien stevige muren van boeken, kranten, meningen, in- stellingenenberoepenverschanst,moet depatiënt gebracht worden naar een vruchtbare kiem in het instinctieve ‘rijk van de moeders’. Waar het omgaat is, het onbewuste te laten spreken, zo te leven dat het onbewuste in werking kan treden. ‘ Want het leven welt op uit onbewuste grond, ’ schreef Meester Eckhart. En die ‘opwellingen’ worden niet bewerkstelligd door de ratio, ze komen tot stand via de imaginatio . Wanneer het onbewuste spreekt, gebeurt dat altijd via de droom, de illusie, het gevoel, de intuïtie en de gewaarwording. Via de verbeelding worden de ‘waarheden van het onbewuste’ aangereikt en niet op een andere manier. En verbeelding is heel iets anders als inbeelding. ‘ Ieder goed idee en iedere scheppendedaadontspruit aande verbeelding.Het isniet slechts de kunstenaar die al het grote aan zijn fantasie te danken heeft maar elk scheppendmens. We hebben ontzaglijk veel te danken aan het spel van de verbeelding. ’ Symbolisch leven Dankzij onze verbeelding zijn we in staat de werkelijkheid symbolisch te ervaren. In het algemeen wordt over symbo- len gesproken als over codes die voor iets anders staan. Dat zijn slechts tekens volgens Jung. Kenmerkend voor het symbolisch bewustzijn is juist dat we participeren aan een werkelijkheid die onpeilbaar is. Symbolen trekken het alle- daagse bewustzijn juist buiten zijn grenzen. In 1939 houdt Jung in Londen een pleidooi voor een symbolisch leven, en wel ten overstaan van een groep bisschoppen, priesters, dominees en pastoraal werkers. Ik vat daaruit een paar gedachten samen. ‘ In onze tijd hebben we geen symbolisch levenmeer, en toch hebben we daar allen ernstig behoefte aan. Alleen in een symbolisch leven kan onze ziel haar behoeften tot uitdrukking brengen – haar dagelijkse behoeften, wel te verstaan! En daar mensen niet symbolisch leven, kunnen ze niet uit de molen stappen van het vreselijke, knarsende, banale leven van alle dag. Ze ervaren dat als ‘niets meer dan...’ Alles is banaal en daaromwordenmensen neurotisch. Ze worden eenvoudigweg ziek van alles, en zijn daarom alleen nog maar uit op sensatie. We leven te rationeel, er is geen symbolisch bewustzijn waarin ik bovenmezelf uitgroei, iemand anders ben, waarin ik een rol heb als acteur in het goddelijke drama van het leven. Dan krijgt het leven zin, heeft het continuïteit en staat het in dienst van het geheel der mensheid. Dat geeft het leven zin. Al het andere is banaal. Je kunt er buiten. Een carrière, kinderen voortbren- gen, het is allemaal maya vergelekenmet dat ene iets: weten dat je leven zinvol is. We kunnen het wiel niet terugdraaien, we kunnen niet terug naar een symboliek die voorbij is. Onze twijfel heeft die gedood, verslonden. De oude dogmatiek drukt mijn psychische werke- lijkheid niet meer uit. De toestand waarinmijn psyche verkeert, vraagt om iets anders. Ik meen dat de tendensen van het onbewuste in onze tijd voor een deel overeenkomenmet die uit de middeleeuwse mystiek. Die vind je bijvoorbeeld bij Meester Eckhart, je vindt die ook in de gnostiek en de alchemie. Gnostiek is een consistente levens- beschouwing over de Christus in ons, niet over de historische Christus buiten ons. Ik vermoed dat dit soort strevingen in de toekomst sterker zullen worden, maar hoe die toekomst er daadwerkelijk uit zal zien, is niet te voorspellen. ’ De auteur van het boek Spreuken wist het al: ‘Als er geen visioen is wordt een gemeenschap teugelloos’ (29, 18). In 1944 schrijft Jung in het voorwoord van Psychologie en Alchemie : ‘ De christelijke cultuur blijkt verschrikkelijk hol te zijn: het is een uiterlijk vernisje. De innerlijke mens wordt er echter niet door geraakt, en is daarom ook niet veranderd. De toestand van de ziel komt niet overeenmet wat er uiterlijk geloofd wordt. De ziel van de christen heeft geen gelijke tred gehoudenmet wat er uiterlijk geloofd wordt. Ja, uiterlijk staat alles er, in woord, in beeld, in kerk en in Bijbel. Maar innerlijk vindenwe daar niets van terug. (…)Menheeft slechts indewereld buiten een Christus ontmoet, maar nooit in de eigen ziel. (…) Zo lang de religie slechts bestaat uit geloof en uiterlijke vormen, en zo lang de religieuze functie geen ervaring van de eigen ziel is, is er niets fundamenteels gebeurd. We moeten nog leren begrij- pen dat het ‘grote mysterie’ niet alleen op zich bestaat, maar dat het voornamelijk ook geworteld is in de menselijke ziel. ’ Wat we nodig hebben, stelt Jung, is extase , in de Griekse betekenis van dat woord, ek-stasis : buiten ons ego staan. Het ego is een gevangenis, gevangen in tijd, ruimte en rationaliteit. We dienen deze mentale gevangenis van tijd tot tijd, regelmatig achter ons te laten. Wat kan ons daarbij helpen? Poëzie, liefde, sex, therapie, passie, de natuur, het ritueel, muziek, empathie en compassie. Al deze dingen, wanneer ze ons aanzetten tot visionaire oplettendheid, noemt Jung ‘religie’. Religie is alles wat ons helpt ontsnap- pen uit egocentriciteit, uit de wereld van alledag. In navolging van Rudolf Otto, spreekt Jung hier ook dik- wijls over de behoefte aan ‘het numineuze’. In een brief aan een pastor schrijft hij: ‘ De hoofdinteresse vanmijn werk ligt niet zozeer in de behandeling van de neurose als wel in het in aanraking komenmet het numineuze. ’ ‘Let op uw dromen!’ In zijn voordracht uit 1933 (over de overspannen patiënt die hemom raad komt vragen) werkt Jungmaar één voorbeeld uit van ek-stasis . ‘ Dat is de droom, die efemere, vluchtig ver- schietende schepping van onze nachten. ’ Onze patiënt moet leren luisteren naar zijn dromen! Maar dat is in zijn ogen zo banaal, zo op voorhand al duister, belachelijk en onbe- langrijk, dat die helemaal niet in tel is. Jung werkt uit dat
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=