13(2)16
Reflectie jaargang 13nummer 2, zomer 2016 25 het juist de koninklijke weg is naar ons wortelstelsel, hoeveel andere er verder ook nog zijn. ‘ De droom is een kleine, verborgen deur in het diepste innerlijk der ziel. Zij geeft toegang tot die kosmische oernacht, die ziel was, lang voor er een ik-bewustzijn bestond, en die ziel zal zijn, wat het ik-bewustzijn nooit zal kunnen bereiken. [ … ] In de droom gaan we binnen in de diepere, algemenere, echtere, eeuwigere mens, die nog in de schemering van de oorspronke- lijke nacht staat, waar hij nog een geheel was, en het geheel in hemwas, in de natuur, die geen onderscheid kent en ontbloot is van egocentriciteit. [ … ] Daarom is het geen wonder, dat in alle oude culturen een droom zulk een diepe indruk maakte, dat een ‘grote droom’ werd opgevat als een boodschap der goden! ’ In de droom vallen ons de ‘waarheden’ in die ertoe doen. De moderne mens valt echter niets meer in! Hij wil juist gevrijwaard zijn voor willekeurige invallen en opwellingen. ‘ Waarom vergeet men steeds, dat op het hele gebied van de menselijke beschaving niets groots en schoons is, dat zijn bestaan niet dankt aan de gelukkige inval?Wat zou er van de mensheid worden, wanneer niemandmeer invallen kreeg? [ … ] Nooit beseffen wij méér, hoezeer wij van onze invallen afhanke- lijk zijn, dan wanneer ons ongelukkigerwijs níéts wil invallen. ’ Objectief dromen? De patiënt vindt echter dat er niets objectiefs zit in dat vluchtige psychische verschijnsel dat droom heet. Het is het meest subjectieve (lees: onbetrouwbare), dat men zich indenken kan. Dan antwoord ik hem, zegt Jung: ‘ Dan kunt u toch uw angsttoestanden en uw dwangvoorstellingen onmid- dellijk laten verdwijnen. Het slechte humeur, dat u zo dikwijls hebt, is er nietmeer. Ubehoeft slechts het toverwoord te spreken. ’ Maar zo is het natuurlijk niet. De moderne mens heeft in zijn naïviteit in het geheel niet bemerkt, dat hij door zijn ziekelijke impulsen net zo bezeten is als iemand in de donkerste Middeleeuwenmaar bezeten kon zijn. ‘ Het verschil, ’ zegt Jung, ‘ kanmen verwaarlozen; toen noemde men zoiets de Duivel, tegenwoordig heet het neurose; maar de zaak is hetzelfde. Het is dezelfde oerervaring: iets objectiefs psychisch, iets vreemds en onoverwinnelijks blijft onaantast- baar voor de heerschappij van onze psychische willekeur. ’ Jung begrijpt natuurlijk heel goed dat onze ‘verlichte’ patiënt teleurgesteld is met dit advies. ‘ Zeker, met dromen bouwt men geen huizen, betaalt men geen belastingen, men wint er geen veldslagenmee en de wereldcrisis wordt er niet door opgeheven. Daaromwil mijn patiënt, evenals andere mensen, vanmij horen, wat men tegen de onhoudbare toestand kan doen en wel met verstandige, aan de ernst der situatie aan gepaste middelen. ’ En hij dringt aan: ‘ Wat moet ik doen? ’ Het antwoord van Jung is van een onthutsende eenvoud en zal de patiënt nog meer in verwarring brengen, maar het is het enig juiste. Hij antwoordt: ‘ Ik weet het ook niet. ’ De psychiater met al zijn verstand weet het ook niet. Het Zelf weet het. De patiënt moet luisteren naar zijn onbewuste. Alle grote profeten, vernieuwers, zieners in een cultuur zijn personen die eerst en vooral geluisterd hebben naar dat innerlijke Zelf. ‘ Als [ in een cultuur ] het bewustzijn verdwaald raakt in een eenzijdige en daarom verkeerde richting, dan worden ‘instincten’ tot leven gewekt en zenden ze hun voorstel- lingen naar de dromen van de enkelingen en de visioenen van de kunstenaars en zieners om daarmee het psychische even- wicht te herstellen. ’ Op dat vlakmaakt de mensheid werkelijk geschiedenis, meent Jung. Hij houdt dat zijn toehoorders buitengewoon krachtig voor. ‘ Wanneer wij de geschiedenis van de mensheid overzien, dan onderscheiden wij slechts de meest oppervlakkige laag der gebeurtenissen. [ … ] Wat er eigenlijk gebeurt, ontsnapt aan de onderzoekende blik van de historicus, want het eigenlijke gebeuren der geschiedenis is diep verborgen, want door allen geleefd en door niemand opgemerkt. Het bestaat uit het meest persoonlijke, subjectieve, psychische leven en beleven. Oorlogen, dynastieën, sociale omwentelingen, veroveringen en religies zijn slechts de oppervlakkigste symptomen van een verborgen, fundamentele geestelijke dispositie van het individu, waarvan het individu zichzelf niet bewust is en die daarom ook door geen enkele geschiedschrijver wordt bericht; de godsdienst- stichters kunnenmisschien in dit opzicht nog de meeste ophel- dering verschaffen. De grote gebeurtenissen in de wereldge- schiedenis zijn eigenlijk buitengewoon onbelangrijk. In laatste instantie is alleen het subjectieve leven van het individu wezen- lijk. Dit levenmaakt geschiedenis; alle grote omwentelingen spelen zich eerst alleen in dat leven af; de toekomst, de gehele wereldgeschiedenis is tenslotte de kolossale som van alle in stilte geleefde levens. In ons persoonlijkste en subjectiefste leven ondergaan we niet alleen onze tijd, wij maken hem ook. Onze tijd – dat zijn wij! Wanneer ik mijn patiënt de raad geef: ‘ Let op uw dromen ’, dan bedoel ik daarmee: keer terug tot het meest subjectieve dat in u leeft, tot de bron van uw bestaan en uw leven, tot op het punt, waar gij geschiedenis maakt, zonder het te weten. Uw schijn- baar onoplosbare moeilijkhedenmoeten blijkbaar onoplosbaar zijn, opdat u zou ophouden u er over op te winden en te zoeken naar redmiddelen, die bij voorbaat nutteloos zijn. Uw dromen zijn de uitdrukking van uw subjectieve wezen, daarom kunnen zij u openbaren, door welke foutieve instellingen u in het moeras geraakt bent.’ In zijn voordracht werkt Jung dan concreet uit hoe, als men er ookmaar enige moeite voor doet, zijn (verschillend soortige) dromen kan leren verstaan. Dat is hier nu niet aan de orde. Waar het omgaat is aan te geven dat de moder- ne mens leert om regressieve stappen te zetten, dat hij leert ommet zijn corticale ik-bewustzijn te luisteren naar de wijsheid van zijn hersenstam. De moderne mens moet inzien en vooral erváren dat de bron van al zijn projecties niet buiten hem ligt, maar in hem. Hij moet inzien dat hij dan wel niet meer in ‘de Duivel’ gelooft, maar dat daarmee het kwaad, de ‘schaduw’ in hemnog niet is verdwenen, dat hij door het ‘donkere bos’ op weg is naar de ‘wijze moeder’ maar trefzeker ‘de wolf’ moet integreren. Op het moment dat die weg wordt afgelegd, ervaart hij zijn ‘ik’ nog wel als het centrum van bewustzijnmaar niet meer als het cen- trum van de hele persoonlijkheid. n Over de auteur Dr. Tjeu van den Berk (1938) is theoloog en studeerde theologie in Rome, Lyon en Nijmegen. Hij werkte aan de Katholieke Universiteiten te Amsterdam en Utrecht, en anno nu doceert hij aan het Jungiaans Instituut. Hij schreef diverse boeken over de samen- hang tussen religie, psychologie, kunst en cultuur, waarvan Het numineuze de bekendste is, evenals Het mysterie van de hersenstam , Mystagogie, inwijding in het symbolisch bewustzijn , en enkele boeken over Jung. In zijn boek Het oude Egypte: bakermat van het jonge christendom doet hij uit de doeken hoe het jonge christelijke geloof voor een belangrijk deel geënt is op levensbeschouwelijke ideeën van het oude Egypte.
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=