15(1)18

Reflectie jaargang ı5 nummer 1, voorjaar 20ı8 18 kan maken. God schiep eerst de Aarde als een levende gedach- te. Toen schiep hij levende wezens. Er ontstond eerst atoom- energie en vervolgens materie. Hij bracht de atomen in een vaste bol tezamen. Al zijn moleculen worden bijeengehouden door de Wil van God. Wanneer hij zijn Wil terugtrekt, zullen de atomen van de Aarde weer in energie oplossen. De energie zal terugkeren naar zijn oorsprong: puur bewustzijn, en de ‘Aardegedachte’ zal uit de objectiviteit verdwijnen. De substantie van een droom (of een wens) wordt in verstof- felijking gehouden door de onbewuste gedachte van de dromer. Wanneer die samenbindende krachten worden teruggenomen bij het ontwaken, lossen de droom en zijn elementen op. Wanneer de mens in het kosmische bewustzijn ontwaakt dan zal hij zonder deze inspanning van de wil de begoocheling van de kosmische droom verontstoffelijken. Volledig één met de oneindige, al-volbrengende Wil kan Babaji de elementaire atomen aanroepen om zich te verenigen en zich te openbaren in elke willekeurige vorm. Dit gouden paleis, dat in een ogenblik is geschapen, is werkelijk , net zoals de Aarde werkelijk is. Babaji schiep dit paleis uit zijn geest en houdt de atomen samen door de kracht van zijn wil, zoals God de Aarde schiep en door Zijn Wil haar in stand houdt. Wanneer dit gebouw (net als de Aarde) aan zijn doel heeft beantwoord zal Babaji het verontstoffelijken. ’ Vervolgens komen er verschillende lessen voor Lahiri in de vorm van een gematerialiseerde vaas, een schaal met eten en vervolgens water om zijn dorst te lessen. Babaji vertelt Lahiri: ‘ Het goddelijke rijk strekt zich over het Aardse uit, maar dit is zinsbedrieglijk, en het omvat dus niet het wezen der realiteit .’ Er verandert nu iets en het paleis is nu weer verdwenen, opgelost, en Lahiri ziet dat hij zich nu in de grot van de goeroe bevindt. Hij voelt in zichzelf de enormiteit van zijn inwijding. Het is de moeite waard om het hele hoofdstuk te lezen. Wat het vooral laat zien is dat het idee van ‘scheppen met gedachten’ van belang is. Het filosofische idee dat God de wereld in stand houdt met Zijn gedachten, en dat als God ophield ons te denken dat de materie zou ophou- den te bestaan, komt in vele oude religies voor. Dit creëren vanuit het denken is een aspect dat met name in het hindoeïsme en ook in het boeddhisme veel voorkomt, zoals we verder in dit boek zullen zien. Nu we intussen weten dat ook de kwantumfysica, de be- schrijving van elementaire deeltjes en hun door waar- neming beïnvloede gedrag, wijst in de richting van ‘ bewustzijn ’ als scheppende kracht achter materiële fenomenen, krijgen deze ideeën en verhalen (zoals dat van Lahiri Mahasaja) een diepere betekenis. Het idee dat de schepping slechts een gematerialiseerde gedachte is die op elk moment weer kan ophouden te bestaan, dat is voor veel mensen een moeilijk begrip. Men gaat zich dan afvragen wat het doel is van een dergelijke schepping die uiteindelijk een illusie blijkt te zijn en die elke seconde weer kan stoppen. Het antwoord vinden we terug in het verhaal van Lahiri en zijn gouden paleis. Zijn gids vertelt hem immers: ‘ Dat licht daar is de gloed van een gouden paleis, dat hier van- nacht door de onvergelijkelijke Babaji verstoffelijkt is. In het verre verleden, in een vorig bestaan, hebt u eens het verlangen geuit de schoonheden van een paleis te genieten. Onze meester vervult nu uw wens en bevrijdt u zo van de laatste banden van karma .’ Het paleis is gecreëerd om Lahiri te bevrijden van het karma dat hijzelf heeft opgeroepen door zijn verlangen. Namelijk: de wens om een prachtig paleis te bezitten waarin alles vol pracht en vreugde is. Maar niemand heeft een paleis nodig om te kunnen leven op Aarde. Het is slechts een wens voortgekomen uit een verlan- gen waarmee Lahiri zich met zijn ego vastzette in de illusie, de maya . Om Lahiri de kans te geven uit deze illusie te komen en zich te bevrijden van het rad van geboren worden, sterven en vervolgens opnieuw gebo- ren worden in een eeuwigdurend proces, geeft Babaji (de meester) hem de genade door zijn wens één keer aan hem te geven in de vorm van deze creatie, het gouden paleis. Een creatie die echt is, en ontstaan uit de gedachte van de meester vanuit de wens van Lahiri. Als Lahiri dit eenmaal doorziet dan is hij vrij en krijgt hij zijn inwijding. Dergelijke inwijdingen werden en worden nog steeds gegeven. Het is niet per se nodig om een goeroe of een meester te hebben. Het leven zelf is immers de meester van de illusie en elk mens die bewust in het leven staat en alles werkelijk (door)ziet, kan deze inwijding (of realisatie) ervaren. Maar het is voor veel mensen niet gemakkelijk om ermee om te gaan. Anderen zoeken hun hele leven naar de antwoorden die zij niet vinden. Weer anderen verzamelen alle mogelijke kennis om het vervolgens na te laten aan anderen die ermee kunnen werken. Eén van hen was de Schotse generaal William Stirling . Een relatief onbekend persoon die echter voor de inhoud van dit boek een kleine, maar toch interessante rol heeft gespeeld. Dankzij zijn verzameling van oude Indi- sche teksten en vertalingen vond ik een paar opmerke- lijke passages die de aard van relativiteit, de illusie van het leven en het scheppen vanuit de gedachte, uitleggen. Hoofdstuk 2 De vondst Tijdens een wandeling, op een mooie zonnige dag in juni 2017 in het bos van Muiravonside in Schotland, kwam ik langs een door grote planten overgroeide ruïne van wat oorspronkelijk een rond gebouw leek te zijn geweest. Ik kende deze plek wel en had deze jaren geleden tijdens een andere wandeling al eens eerder gezien maar had er toen, om wat voor reden dan ook, geen diepgaande aandacht aan geschonken. De ruïne is volgens de over- levering een overblijfsel van een achttiende-eeuwse limekiln waar lime (kalk) werd gebrand voor gebruik in de bouw van die tijd. De ruïne zag er in het licht van de zomerzon en omge- ven door het overdadige groen echter mysterieus en uitnodigend uit en ik begon me door het struikgewas heen te werken. Na enige minuten bereikte ik de eerste openingen in de muren. Er lag veel puin in de vorm van gebroken stenen, tegels en dergelijke, die verder geen betekenis hadden. Plotseling was er iets dat mijn aandacht trok. Ik wist het aan de kleiachtige grond te onttrekken en ik was volkomen verrast door het vinden van een bewerkte tegel met een reliëfafbeelding. De tegel was duidelijk erg oud en stelde een Indiase godheid voor, Vishnu , en ik vroeg me af hoe die hier in Schotland terechtkwam. Ik besloot de tegel mee te nemen en uit te zoeken waar deze vandaan kwam en welke connectie er was met deze ruïne. Dit gedeelte van het bos is eigendom van de plaatselijke gemeente, dus de week daarna bracht ik een bezoek

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=