Reflectie2(1).vp
hologram van het milieu waarin organismen zijn ‘ingebed’ correleert alle organismen in dat milieu met elkaar, tot en met zelfs de structuur van hun genoom. Langs die weg wordt de variant van het genoom subtiel geïnformeerd, hetgeen de kans vergroot dat het genoom – als er zich ingrijpende verandering- en in het milieu voordoen – mutaties voortbrengt die levens- vatbaar zijn in dat veranderende milieu. Ditzelfde principe verklaart de verbazingwekkende snelle evolutie van het leven in de oeroceanen van de toen nog jonge aarde. Vastgesteld is dat de oudste gesteenten circa vier mil- jard jaar geleden zijn ontstaan, terwijl de vroegste en reeds zeer complexe levensvormen – blauwalgen en bacteriën – ruim 3,5 jaar oud zijn. Het ontstaan van die levensvormen ver- eist een gecoördineerde, complexe reeks reacties, waarbij het missen van ook maar één enkele stap tot mislukking leidt. Het is zeer onwaarschijnlijk dat een lukrake vermenging van de ‘moleculaire soep’ in de ondiepe oeroceanen binnen zo’n korte tijdsspanne tot dit resultaat zou hebben geleid. De vermenging van de moleculen op het oppervlak van de aarde in dat oertijd- perk verliep echter allesbehalve lukraak: zij werd geleid door de informatie die voorhanden was in de sporen van reeds eer- der geëvolueerd leven! Kennelijk waren dit geen sporen van aardse levensvormen, want we hebben het over het vroegste begin van de biologische evolutie op aarde. Het moeten sporen van leven op andere planeten zijn geweest. Deze informatiebezaaiing van de aarde als het begin van de evolutie van leven is volstrekt plausibel. Het nulpuntenergieveld strekt zich uit tot in de allerverste uithoeken van het heelal en draagt de torsiegolfsporen van deeltjes en systemen van deeltjes van alle punten in ruimte en tijd. In alle uithoeken van de kos- mos waar de hologrammen van het vacuüm in doordringen, doen ze informatie op over de levensvormen die in dat deel van de kosmos zijn geëvolueerd. Aangezien in ons Melkwegstelsel de kans groot is dat er zich, eerder dan op aarde, op andere pla- neten leven heeft ontwikkeld, moeten er al holografische sporen van andere biosferen in het vacuüm aanwezig zijn geweest voordat de eerste levensvormen op onze aarde ontstonden. Deze sporen vielen in voldoende mate samen met de zich op de jonge aarde ontwikkelende levensvormen om er een subtiele maar doorslaggevende invloed op uit te oefenen. Zij leverden de sub- tiele ‘stoot’ voor een versnelling van het proces van vallen en opstaan van de evolutie. Hierdoor werd de kans vergroot dat de turbulente vermenging in de moleculaire soep tot stabiele, zich- zelf instandhoudende combinaties leidde. Het leven op aarde werd ‘geïnformeerd’ door levensvormen elders in de kosmos, net zoals levensvormen op aarde thans het leven op andere le- ven dragende planeten informeert, ongeacht waar ze zich in dit Melkwegstelsel of daarbuiten mogen bevinden. Het A-veldeffect in de kosmos Vacuümhologrammen zijn niet beperkt tot de dimensie van de aardse biosfeer; er zijn ook hologrammen op grotere schaal, namelijk van sterren en sterrenstelsels. Ze strekken zich uit door het volledige ruimte-tijdcontinuüm van ons universum en corre- leren spiraalnevels en andere macrostructuren. De torsiegolfspo- ren van sterren en sterrenstelsels creëren het hologram van een spiraalnevel, en de interfererende torsiegolven van een metaspi- raalnevel (alle sterrenstelsels samen) creëren het hologram van het universum. Het universumhologram conjugeert met dat van de metaspiraalnevel; zo creëert dit meeromvattende hologram coherentie onder de spiraalnevels – het correleert de paden van hun evolutie. Hoewel dit A-veldeffect uiterst subtiel is, is het wel degelijk werkzaam: we hebben gezien dat sterren en ster- renstelsels zich overal in het universum coherent ontwikkelen, in weerwil van afstanden die niet door licht- of andere signaal- vormen die de moderne fysica kent zijn overbrugd. Ook de fijnafstemming van de constanten in het universum – de reden dat alle fundamentele parameters van het universum zo verbluffend nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd dat com- plexe systemen als wijzelf erin konden ontstaan – is een effect van het A-veld. We weten al dat de oerknal verbluffend accuraat was met betrekking tot zijn parameters, en dat de energiedicht- heid van het vacuüm (de zogeheten kosmologische constante) exact zo groot is dat de deeltjes die bij de oerknal werden ge- schapen niet werden verstrooid, waardoor ze zich konden verd- ichten tot spiraalnevels en sterren, plus talloze planeten waarop leven kon ontstaan, althans, naar alle waarschijnlijkheid. In een minder accuraat afgestemd universum zouden wij er niet zijn om ons over deze nauwkeurigheid te verbazen. Zelfs al door een minuscule afwijking (bijvoorbeeld een miljardste deel van de waarde van een universele kracht als elektromagnetisme of gra- vitatie, of ook maar een minuscuul surplus in de energiedicht- heid van de ruimte) zou het universum niet in staat zijn geweest juist díe omstandigheden voort te brengen waarin levende orga- nismen kunnen ontstaan en evolueren. De oerknaltheorie levert geen overtuigende verklaring voor de fijnafstemming van de constanten: de heersende stroming in de kosmologie kan slechts veronderstellen dat de pre-ruimte van het universum lukraak was, met ‘toevallige’ fluctuaties in het vacuüm. Het is echter uiterst onwaarschijnlijk dat toevallige fluctuaties tot exact die fluctuatiepatronen kunnen hebben geleid die vorm konden geven aan een zo accuraat afgestemd univer- sum als het onze. De door de aanhangers van de snaartheorie geopperde verklaring voor de fijnafstemming van de kosmolo- gische constante is al even verbijsterend. Zo oppert Leonard Susskind dat de energiedichtheid van het vacuüm van het ene kosmossegment tot het andere verschilt. Er zouden zoveel plaat- selijk verschillende vacua (vacuüms) zijn – wellicht zelfs in de orde van grootte van 10500 – dat we er vrij zeker van kunnen zijn dat we in die immense verscheidenheid op zijn minst één vacuüm zullen aantreffen met exact de eigenschappen die wij zoeken. Aangezien wij bestaan en ernaar kunnen zoeken, heb- ben we het blijkbaar gevonden óók: het is ons specifieke ‘lokale vacuüm’ – ons specifieke segment van de kosmos. Er is echter een minder verbijsterende verklaring mogelijk. De (oer-)knal die ons universum heeft gebaard én het vacuüm waarin dat gebeurde, ontleenden hun informatie aan een eerder universum, een vroegere cyclus van het metaversum. Of het universum nu wel of niet eindig is in de ruimte, het blijft niet beperkt tot één enkel universum (of universumcyclus). Het kwantumvacuüm is in alle universa het fundamentele element. De deeltjes waaruit de waarneembare elementen van het uni- versum bestaan zijn uit het vacuüm ‘gesprongen’ en zullen aan het eind van dat universum terugvallen in hetzelfde vacuüm. Dit betekent dat het vacuüm er al vóór de geboorte van ons universum was en dat het ongetwijfeld zal voortbestaan nadat alle materie in ons universum is ‘verdampt’ en ons universum als zodanig verdwijnt. In de loop van een wellicht oneindige reeks universa wordt het vacuüm in toenemende mate afge- stemd op de processen die zich in de op elkaar volgende uni- 9 Reflectie 2(1), maart 2005
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=