Reflectie2(1).vp
Gnosis en psychologie van het Hindoeïsme [1] Robert H. Swami Persaud Gnosis en psychologie zijn begrippen die met elkaar een zekere verwantschap hebben. Gnosis wil met het hart spreken en psy- chologie met het hoofd, maar om de respectievelijke essenties verstaanbaar te kunnen maken, hebben beide een transcenden- tie nodig: de gnostische waarheid giet je in woorden van het hoofd en de psychologische waarheid kleedt je in gevoelens van het hart. In die situatie kun je een bijzondere eenheid ontdekken en kun je de waardevolle vruchten plukken van zowel de psy- chologische als gnostische wijsheden van een cultuur. Het hindoeïsme is bij uitstek een voorbeeld van zo’n cultuur, hoewel we niet van ‘het’ hindoeïsme kunnen spreken, daar is het te pluriform voor. Niettemin zullen we hier schetsmatig en met enige voorzichtigheid zowel haar gnostische als psycholo- gische waarden aan een nader onderzoek onderwerpen. Lichtbewustzijn Als je de psychologie van het hindoeïsme bekijkt, ontdek je verschillende lagen of dimensies die zowel van sociale, cultu- rele als spirituele aard zijn. Psychologie of zielskennis is im- mers niet alleen een wetenschap van de psuché (ziel), maar ook van het menselijk gedrag, dat grotendeels beïnvloed wordt door de lagen zoals boven aangegeven. De buitenste lagen van haar psychologie zijn voor Westerlingen nauwelijks tot niet toepasbaar; ze zijn cultureel gebonden en kennen een sterke samenhang met het sociale leven in India. De wijze waarop men met elkaar omgaat, eetgewoonten, opvoeding en onder- wijs zijn allemaal aspecten die voortkomen uit de psychologie van de verschillende Vedische stelsels, die van toepassing zijn op de gemiddelde Indiër; weliswaar is er een toenemend aantal Westerlingen dat krampachtig deze Indiase gedragsgewoonten tracht over te nemen, maar zij kunnen dan vroeg of laat in con- flict komen met hun eigen psychologische dimensies. Maar om te weten te komen hoe die dimensies er uitzien, is het goed om de samkhya, het eigenlijke, gnostische stelsel van het hin- doeïsme, eens nader te bekijken. In haar filosofie spreekt deze van de Buddhi , een begrip dat meestal vertaald wordt met ‘intelligentie’ of ‘begrip’, hoewel het woord ‘lichtbewustzijn’ meer recht doet aan haar bedoe- ling. De Buddhi wordt ook wel de ‘sluier van de ziel’ ge- noemd, omdat ze als het ware de laatste grens vormt tussen ons denken en ons zielenbewustzijn, een bewustzijn dat be- paald niet tot de dagelijkse praktijk behoort. Ook wijst zij ons op de purusha , een eeuwig beginsel of onbeweeglijk Albe- wustzijn, welke het menselijke denken volkomen transcen- deert. Om die reden blijft deze ontoegankelijk, maar dankzij de Buddhi zou de mens toch in staat zijn een glimp van de pu- rusha op te vangen. Onder het buddhisch bewustzijn wordt dan ook een overstijgend, intuïtief bewustzijn verstaan, een be- wustzijn van helder waarnemen. Maar laten we eens kijken naar de geest van de samkhya. Zij is dualistisch in haar beeld van de kosmos: tegenover de purusha staat de prakriti , de eeuwige stofnatuur, die perma- nent in verandering is. Alles wat wij waarnemen is natuur, ook ons denken is uit natuurlijke elementen opgebouwd. De conse- quentie van deze houding is, dat zelfs de meest verheven openbaring of spirituele ervaring of desnoods een ‘goddelijk’ visi- oen door de samkhya wordt uitgelegd als behorende tot de stofnatuur, weliswaar in haar meest subtiele dimensies, maar toch van de stofnatuur. De samkhya en de yoga delen het uitgangspunt, dat aan de wortel van het menselijke lijden de zinsbegoocheling ligt, de illusie dat ons zintuiglijke ervaren en psychische leven aspecten zijn van het Zelf. Vandaar dat de mens, wil hij zich van deze illusie bevrijden, onderscheid moet kunnen maken tussen prakriti en purusha. Zolang de mens eigenschappen (guna’s) aan de geest (purusha) toeschrijft, blijft hij dwalen in deze maya , omdat eigenschappen toebeho- ren aan de psyche en het mentale leven, de prakriti. Concreet pad Voor de samkhya is er geen andere weg dan de weg der ken- nis, om aan deze verwarring te ontkomen. Iedere methode of oefening, gebed of gekunsteld gedrag kan eraan bijdragen tot een juiste levenswandel te komen, maar blijft de kennis achter- wege, dan zijn het eerder bindende factoren, die de mens in zijn illusie houden. “De geest is de roerloze toeschouwer, de onpartijdige getuige”, zegt Isvara Krsna in zijn Samkhya Kari- ka, vers 19. Zij kent geen eigenschappen en geen verlangens, omdat deze alle tijdelijk zijn en dus niet geassocieerd kunnen worden met de eeuwigheid. Goed, purusha behoort dan tot het geestelijke, en prakriti tot het stoffelijke rijk, maar is er wel een binding tussen die twee, ondanks hun volstrekte schei- ding? Want de purusha is dan wel zuiver en eeuwig, volmaakt en onaantastbaar, maar toch is ze gebonden aan het verschijn- sel mens, die sterfelijk is en lijdt. Hoe is dat zo gekomen? Wat heeft de purusha als eeuwige zaligheid vastgekluisterd aan de tragiek van de stoffelijke wereld? Het zijn vragen die – net zo- als de Boeddha dat deed – met zwijgen beantwoord moeten worden. Ieder antwoord zou immers te maken hebben met een transcendente werkelijkheid die voor de mens niet te vatten is, en hoe meer hij zich overgeeft aan speculatie, hoe meer kost- bare tijd hij verliest, die hij beter had kunnen gebruiken om zijn bevrijding te bewerkstelligen. Wij hebben begrepen dat de yoga een concreet pad naar die bevrijding aanwijst; het pad van de samkhya is echter minder concreet, reden waarom Patanjali de yoga systematiseerde, om de zoeker iets concreets te kunnen aanbieden. Staan wij dan voor twee paden: die van de yoga met haar god Isvara en strenge discipline, en die van de samkhya, zonder aanwijsbare god, maar wel met een diep- zinnige filosofie? Of zou er nog een derde pad zijn, dat de schoonheid van de yoga en het mysterie van de samkhya met elkaar verenigt? Waar je niet met je denken jezelf een discipli- ne van versterving en starre dogmatiek oplegt, maar waar je met je hart een discipel van liefde en toewijding kunt worden? Het is dezelfde vraag die Arjoena stelde aan Krishna in het 12 e hoofdstuk van de Bhagavad Gita: 13 Reflectie 2(1), maart 2005
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=