Reflectie3(1).vp
...Priesterwijding... Een citaat uit De schatkamer van het Licht De laatste tijd werden enkelen van ons tot priester gewijd. Een verheugend teken dat niemand zal zijn ontgaan; het zijn be- langrijke gebeurtenissen, niet alleen voor hen zelf, ook voor onze Kerk. Het is daarom goed aandacht te geven aan wat een van onze priesters schreef over priesterbeeld en -functie. Hier onder een deel uit een van zijn boeken *, geschreven voordat de eerste vrouw in onze Kerk tot priester werd gewijd – de auteur spreekt nog uitsluitend over man, hij en hem. De monade in de mens is zijn contactpunt met God, ongeveer zoals een priester in de wereld een contactpunt met God behoort te zijn. Dit zou het mystieke geheim van het priesterschap kun- nen verklaren. Door de rite van de priesterwijding worden ge- voel en verstand in aanraking gebracht met de monade. Van de monade bestaat een duidelijke definitie ….: een geestelijke, on- deelbare entiteit, een goddelijk levensatoom, dat door zijn on- deelbaarheid van het deelbare stoffelijke atoom verschilt. H.P. Blavantsky omschrijft de monade als de Eenheid, de Ene en Ondeelbare, die de verenigde Drievuldigheid omvat. Gewijd door middel van gebeden, machtwoorden, hand- oplegging en zalving staan priesters volgens de katholieke ca- techismus in een ongebroken lijn achter de historische Jezus Christus, de eeuwige Hogepriester. De functie van bemidde- laar tussen God en mens, die hij door het sacrament van het priesterschap aan enkele mensen oplegde, doet hem als men- sen verdwijnen. Priesters spreken slechts in Zijn naam; zij doen enkel wat Hij deed. Wat zij meedelen is niet uit henzelf ontstaan, maar het zijn louter gaven van Hem, die slechts macht gaf tot het bedienen van die sacramenten. Zonder die macht van Hem ontvangen, staat elke priester machteloos. Uiteraard onderscheidt een gewijde priester zich in niets van een gewoon mens in zijn alledaagse omstandigheden, maar door het teken van de handoplegging tijdens zijn wijding is de Heilige Geest op hem neergedaald. Het moment van de handoplegging maakt een man tot blijvend deelgenoot in Christus. C.G. Jung spreek ergens van een mana-persoonlijk- heid. Deze beschikt over een onpersoonlijke, religieuze macht, een fijnzinnig fluïdum, en in het beste geval over een groot charisma. In het vroege christendom vond aanstelling soms plaats op grond van het charisma, maar een liefdevol gedrag naar iedereen, alsmede een streng maar barmhartig oordeel, stond bovenaan de eisenlijst van de behoeders der waarheid. Naar mijn persoonlijke opvattong oriënteert een priester zich bij alles wat hij doet op God, niet alleen gedurende de eredien- sten, maar ook als hij eet en drinkt, spreekt en werkt, wandelt en zich ontspant. Zelfs als hij slaapt, staat hij in dienst van god als diens knecht. Uiteraard hebben priesters normale deugden en ondeugden en zijn ze evenals andere beroepsbeoefenaars producten van tra- ditie, opvoeding en opleiding. Maar de doorsnee mens ver- wacht in een priester een warme persoonlijkheid te ontmoeten, de bescheidenheid zelve, met een mild oordeel en een inspire- rende visie. De vraag of hij al dan niet gehuwd is en een gezin achter zich heeft staan, zal menigeen minder bezighouden dan de wijze waarop hij invulling geeft aan zijn roeping. Het verplichte celi- baat ¹ is een instelling van de Kerk en heeft niets met Jezus te maken. Toen hij zijn apostelen, althans volgens de tientallen ja- ren later geschreven evangeliën, de macht gaf om te dopen, zon- den te vergeven en het avondmaal te vieren te zijner gedachte- nis, stelde hij hun huwelijk niet ter discussie. De vraag of zijn priesters seksueel ongerept waren, speelde in de opvatting van Jezus geen rol. De kerk van Rome maakte er een hoofdvoor- waarde van. De reformatoren verwierpen die, omdat priesters midden in de wereld horen te staan en daar dus ook de geneug- ten van mochten genieten. In 1951 gaf de paus dispensatie aan een reeds gehuwde predikant om de priesterwijding te ontvang- en. Sedertdien wordt het nut van het celibaat ook in roomse kringen geregeld betwijfeld. Zeker ook, omdat de Oosterse Kerk, de Oud-Katholieke, de Vrij-Katholieke en de Anglicaanse Kerk het celibaat niet kennen, terwijl hun priesters desondanks uitstekende bedienaar zijn van de sacramenten. Belangrijk is dat een priester nog iets in zich heeft van het sterk verflauwde mythologische bewustzijn van de oude Griek en de gelovige Hindoe en tegelijkertijd een sterk besef heeft van de moderne psychotherapie. Het therapeutische aspect van het priesterlijke werk raakt veel op de achtergrond. Religie is immers voor een belangrijk deel therapie, omdat de godsdien- sten zich de herverbinding van mens met God ten doel stellen, in dat streven heeft een priester een belangrijke rol te vervul- len. Hij moet de mythen kennen en weten hoe deze oude ge- tuigenissen van zielenwijsheid doorwerken in de rituelen. Ik kan mij heel goed vinden in de gedachten van de mytho- loog Joseph Campbell. ‘Een ritueel is het opvoeren van een mythe. Door aan het ritueel deel te nemen, ervaar je een my- thologisch leven’. Door deel te nemen aan een ritueel als bij- voorbeeld de H. Mis, leer je spiritueel te leven. Een bepaalde leermeester moest je de weg wijzen, je leren hoe dat spirituele leven in z’n werk ging. Dat was de taak van de priester, want hij ging voor een ingewijde door. In het algemeen heeft de gemiddelde mens geen notie van zijn ingewikkelde zielenstructuur. Het wil maar niet tot hem doordringen, dat de ziel dreigt te verkommeren als het verstand de religie buitensluit. Voor de veelkleurige mythologieën van het verleden is geen plaats meer in zijn rationele waarneming van de wereld om hem heen. Liever laat hij zich door feiten lei- den, en feit is, dat de zelfverzekerdheid van de vele christelijke Kerken hem heeft gestoord. De priesters die de breuk moesten helen, stonden voor een onmogelijke opgave. Zij waren zelf im- mers opgevoed in een geseculariseerde maatschappij. Het priesterschap is een mysterieuze roeping. Bemiddelen tussen God en de mens is geen sinecure. In principe wil het Mysterie niet geopenbaard worden. God trekt zicht terug, zo- dra wij Hem in het vizier menen te krijgen. De grote onzicht- bare wereld om ons heen heeft het zo geregeld, dat het Mysterie in stand blijft. Daar mogen we dankbaar voor zijn. 15 Reflectie 3(1) voorjaar 2006
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=