Reflectie-18.vp

T E K E N S V A N L E V E N Johan Pameijer De stilte was om te snijden. Niemand bewoog zich. Zelfs het ademen leek opgehouden. Toch leefde alles en iedereen buiten de glasdeur van het lokaal. In het gebouw liepen mensen heen en weer. Stemmen klonken zoals gewoonlijk. Er heerste volop bedrijvigheid. Niets was anders dan normaal. Maar in het lo- kaal zaten elf mensen verbijsterd bij elkaar. De langzaam wegstervende januaridag wierp het laatste daglicht over hun gezichten. De vlammetjes van de elf waxinekaarsjes in hun houdertjes brachten daar weinig verandering in. Rustig flak- kerden ze verder, totaal onbewust van het feit dat een van kaarsjes zojuist nogal spectaculaitr was verwijderd. Dat en niets anders was de oorzaak van de stille verbazing op de ge- zichten. Verbijstering, vermengd met verwondering, maar ook een vleug van ongeloof. Want enige seconden geleden was on- weerlegbaar het bewijs geleverd dat er leven is na de dood. Een week geleden was ze gecremeerd, Corrie, een kordate poli- tievrouw en lid van de gespreksgroep “Tussen hemel en aarde” . Corrie, opgegroeid in de rationele sfeer van het politiekorps, wil- de wel eens weten wat er achter dit turbulente leven schuilging. Toegetreden tot de groep, dronk ze gretig alles wat gezegd werd in en als het leven na de dood ter sprake kwam, hing ze aan de lippen van de spreker. Zoals het een goede politiebeambte be- taamt, stelde ze lastige vragen. Tegen kerstmis werd Corrie ziek. Een opname in het ziekenhuis volgde en op 54-jarige leeftijd overleed ze plotseling. Haar uitvaart werd bijgewoond door meer dan vierhonderd belangstellenden. Praktisch het hele politiekorps van haar woonplaats was in de aula aanwezig. Precies op de klok af een week later kwam de groep “Tus- sen hemel en aarde” bij elkaar. Uiteraard werd niet begonnen zonder Corrie te herdenken. Bij haar lege stoel brandde een waxinelichtje, zoals bij alle andere plaatsen. Haar onverwachte overlijden legde een grauwsluier over de groep. Iemand zou haar gedenken met, zoals dat heet, enkele welgekozen woor- den. Nauwelijks was de eerste zin gesproken of er gebeurde iets wonderbaarlijks. Het houdertje van het kaarsje bij de plaats van Corrie sprong met een scherpe klik in twee stukken en het kaarsje werd er tamelijk bruusk naast gezet. Buiten de glazen deur liepen bezoekers af en aan, onbewust van het vreemde verschijnsel in ons lokaal. Niemand werd erdoor af- geleid. Zoals gezegd, was de stilte om te snijden. Toen consta- teerde iemand met een droge stem: “Corrie groet ons.” Het zit in het hoofd Waarom vertel ik dit? Omdat er in Reflectie regelmatig over de dood en het leven erna wordt geschreven. Onlangs ver- scheen het tweedelige verslag over de zeer bijzondere bijna- doodervaring van Thomas Benedict Mellen, over wie ook Deepak Chopra in zijn gezaghebbende boek “Leven na de dood” rept. In het zomernummer van 2008 besprak Lambèrt de Kwant de reacties van wetenschappers op het omstreden verschijnsel. Zoals het een objectief journalist betaamt, besteedde hij ook aandacht aan de mening van sceptici. In weerwil van een over- tuigende bewijslast houden deze mensen vast aan hun materia- listische ongeloof. Het boek “Onsterfelijkheid” van Ilja Maso werd weggehoond. Na het lezen van de eerste pagina vond Jan Willem Nienhuys verder lezen al overbodig. Daar ligt precies het probleem. Overtuigde sceptici nemen doorgaans niet de moeite om rustig kennis te nemen van de overstelpende hoeveelheid overtuigende lectuur. “Het zit alle- maal in de hersens”, roepen de sterk bevooroordeelde critici die nog nooit een letter over het leven na de dood hebben gele- zen. De interesse ontbreekt. Ze gunnen er zich geen tijd voor, maar ze matigen zich wel een oordeel aan. Geleerden als Ken- neth Ring, Raymond Moody, Michael Sabom en Pim van Lommel worden zonder pardon naar de hoek van de kwakzal- verij verwezen. Met het onderzoek van deze hoog gekwalifi- ceerde vakmensen wordt de vloer aangeveegd. Hoe zouden deze critici reageren op een ervaring zoals zo- juist is beschreven. Gezichtsbedrog? Hallucinatie? Een her- senschim? Een spel van “vurende neuronen”? Een flink deel van mijn boekenkasten is gevuld met werken over het voortle- ven van de ziel na de lichamelijke dood. Niet alles wat daarin staat, berust op grondige bewijzen, maar veel klinkt bijzonder geloofwaardig. Sinds het degelijke standaardwerk van Frede- ric Myers “De menselijke persoonlijkheid en haar voortbe- staan na de lichamelijke dood” hebben tal van wetenschappe- lijke werken het licht gezien. Het is zeer de vraag of de tegen- woordige “skeptici” er daar één van hebben gelezen. Je kunt moeilijk al die schrijvers, onderzoekers en wetenschappers voor idioten verslijten, goedgelovige gekken die uit angst voor hun eigen dood hun toevlucht nemen tot de illusie van een vermeend voortbestaan. Politionele precisie Mijn interesse in het vraagstuk dateert al vanaf mijn twintigste. Als jonge puber keek ik tijdens de hongerwinter meermalen in het wasbleke gelaat van een uitgemergelde dode. Waar was het leven gebleven dat deze mensen ooit bezielde? Serieus stelde ik mijzelf deze vraag, gegrond op een waarneming van mijn moe- der, die eens midden in de nacht een vreemde man bij haar bed had gezien. Toen zij panisch van angst het licht aanknipte, was het spook verdwenen. Navraag wees uit dat hij de vorige bewo- ner was, die in deze woning zelfmoord had gepleegd. Dit soort verhalen wekte al vroeg mijn belangstelling. Zelf werd ik nimmer met een geloofwaardig bewijs voor het voort- leven na de dood geconfronteerd. Maar ik ken de literatuur. Sedert Myers in 1901, kort na de publicatie van zijn nog altijd onovertroffen standaardwerk overleed, bleef zijn onderzoe- kende geest ongewoon actief. Zijn boek vormde de bekroning van twintig jaar onderzoek onder auspiciën van de SPR, de in 1882 opgerichte Society for Psychical Research . Gerenom- meerde geleerden namen er aan deel. Via advertenties verza- melden zij duizenden gevallen van vermeend voortbestaan. Met politionele precisie togen ze aan het rechercheren. Door

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=