Reflectie-18.vp
Creëert Callostomie alleen een gespleten brein of ook een gespleten ziel? Drs. Titus Rivas Bij epilepsiepatiënten met veel epileptische aanvallen past men soms een zogeheten callostomie toe. Hierbij wordt een groot deel van het ‘corpus callosum’, de balk die de twee her- senhelften met elkaar verbindt, doorgesneden zodat de belas- tende epileptische activiteit voortaan tot één hersenhelft be- perkt blijft. Volgens materialisten leidt zo’n ingrijpende ope- ratie ook tot een splitsing van de ziel. Zij wijzen op experimen- ten na de ingreep, die dit zouden aantonen en stellen dat de gedachte van een ondeelbare persoonlijke ziel voortaan echt passé is. Daarmee zou het wetenschappelijk gezien ook defini- tief gedaan zijn met de hoop dat we de dood geestelijk kunnen overleven. Een verontrustende gedachte, maar hoe sterk zijn de argumenten eigenlijk? Samenvatting Materialisten en anderen die de gedachte van een onsterfelijke ziel als achterhaald beschouwen, wijzen graag op experimen- ten bij zogeheten split-brain-patiënten. Daaruit zou blijken dat het doorsnijden van de hersenbalk leidt tot het ontstaan van twee afzonderlijke bewustzijnsstromen, één voor elke hersen- helft. Wanneer een fysieke ingreep een nieuw zelf creëert, geeft dat volgens deze visie aan, dat de ziel niet meer dan een sterfelijk product van het brein kan zijn. De auteur kijkt naar de geleverde argumentatie en concludeert dat de experimente- le bevindingen geen bedreiging vormen voor het concept van geestelijke onsterfelijkheid. Materialisten passen in feite een cirkelredenering toe. Inleiding In de loop der eeuwen hebben denkers verschillende argumen- ten aangevoerd voor het persoonlijke voortbestaan van de ziel na de dood. Grofweg kun je die onderverdelen in filosofische bewijzen, empirische aanwijzingen en natuurlijk argumenten gebaseerd op een godsdienstige traditie. Veel religieus geori- ënteerde mensen nemen genoegen met wat hun profeet of god- heid hen hierover geopenbaard heeft. In deze tijd van weten- schap staat zo’n houding echter steeds meer onder druk. In de Bijbel en andere heilige boeken komen voorstellingen voor die samenhangen met de algemene opvattingen uit de tijd waarin de geschriften ontstonden. Ze kunnen niet letterlijk overeenkomen met de werkelijkheid, tenzij men weigert de re- sultaten van wetenschappelijk onderzoek serieus te nemen. Bekende voorbeelden betreffen de passages over de schepping van de wereld in slechts zeven dagen of over de zon die om een statische aarde draait. De zogeheten Intelligent Design -be- weging poogt daarom een idee van goddelijke schepping te vertalen in wat er bekend is geworden over biologische evolu- tie. Ook het nieuwtestamentische concept van een verrijzenis van de ‘hele’ mens wordt tegenwoordig soms in verband ge- bracht met moderne inzichten over bijvoorbeeld het DNA en de hersenen, bijvoorbeeld bij de Jehova’s Getuigen. De filosofische discussie rond een leven na de dood is niet afhankelijk van deze of gene schriftuur, maar uitsluitend van redelijke argumentatie. Ze draait om de mogelijkheid, waar- schijnlijkheid of zelfs zekerheid van een persoonlijk voortbe- staan, beoordeeld op rationele gronden. Veel filosofen kijken daarbij ook naar empirische aanwijzingen, maar de interpreta- tie van die aanwijzingen is afhankelijk van algemenere over- wegingen over de natuur van de persoonlijke ziel. Zo is er de klassieke filosofische theorie dat de ziel een onverbrekelijke eenheid vormt. Overigens niet in de betekenis dat er geen on- bewuste geest zou kunnen zijn of dat we geen deel-persoon- lijkheden zouden kunnen hebben. Maar in een fundamentelere zin, namelijk dat we als subject (bewuste ervaarder) steeds onszelf gelijk blijven. We worden nooit iemand anders, ook al verandert onze persoonlijkheid en ook al ontstaan er zelfs ver- schillende persoonlijkheden binnen onze geest. Deze constante identiteit van het subject als subject is onverklaarbaar uit de persoonlijkheid en ook onaantastbaar wanneer de persoonlijk- heid verandert of zelfs verbrokkelt. Ze is een basisgegeven dat voorafgaat aan alle processen en structuren binnen onze geest en niet veroorzaakt kan zijn door psychologische of fysieke veranderingen. Hierdoor mogen we aannemen dat we als sub- ject reeds bestonden voor onze geboorte en er nog steeds zul- len zijn na onze lichamelijke dood. Dit filosofische argument heet wel het substantialistische argument (van de ziel als on- vergankelijke substantie) of het argument van de ondeelbaar- heid van de ziel en het komt voor in de oudheid, in de middel- eeuwen, en bij moderne filosofen als Descartes, Leibniz en Bolzano, maar ook in de Indiase wijsbegeerte, bijvoorbeeld bij het zogeheten logisch realisme van de Nyaya. De empirische, d.w.z. wetenschappelijke discussie wortelt in de filosofische discussie. Als het bij voorbaat ondenkbaar is dat de ziel zonder haar stoffelijke lichaam de dood overleeft, dan heeft het ook geen zin meer naar empirische aanwijzingen voor zo’n voortbestaan te zoeken. Dit vormt onder meer het standpunt van reductionisten, (materialistische) lichaam-geest holisten en (de meeste) boeddhisten. Het concept van een per- soonlijk voortbestaan is volgens hen bij voorbaat, a priori on- houdbaar en daarom moeten we schijnbare aanwijzingen altijd anders interpreteren. Bijvoorbeeld door (zelf)bedrog, paranor- male gaven van levenden of een onpersoonlijk overleven van fragmenten van iemands geest. Het split-brain onderzoek Sinds enkele decennia, stellen reductionisten en lichaam-geest holisten regelmatig dat er een definitief en onomstotelijk be- wijs geleverd is tegen het bestaan van een persoonlijke ziel of bewustzijn dat de dood overleeft. Algemener zou een persoon- lijk voortbestaan los daarvan al uiterst onwaarschijnlijk zijn door de invloed van het brein op de geest. Die invloed, bij- voorbeeld bij dronkenschap of de ziekte van Alzheimer, zou aantonen dat het bewustzijn volledig een product is van de
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=