Reflectie-18.vp
Visioen 2. Leven Ik voelde hoe mijn geestelijk deel van mijn lichaam werd los- gemaakt en hoe het langzaam uit het lichaam naar de dimensie toe kon glijden die ons direct omgeeft. In mijn nabijheid be- vond zich een lichtwezen dat ik nog nooit had ontmoet. Zij zag er niet uit zoals de meeste engelen of zielen die ik tegenkom in deze realiteit, maar zij was als een stralend wit licht. Heel vaag kon ik een menselijke vorm in dit wezen her- kennen, maar de contouren waren heel moeilijk te onderschei- den. Er sprak een oneindige liefde uit dit wezen op een wijze die ik niet kon begrijpen maar wel voelen. Zij nam mij bij de hand, maar sprak nog geen woord, en na een heel korte tijd be- vonden we ons in een sfeer waarin de aarde en de mensen zichtbaar waren. Ik zag hun stoflichamen en ook hun geestelij- ke uitstraling. Het beeld was mij vertrouwd, want ik had dit al vaker gezien. Het was mooi om te aanschouwen hoe alles in beweging was en ook hoe er een verbinding bestond tussen al- les wat er was. Ik moest onwillekeurig terugdenken aan de er- varing op het vliegveld. Het wezen dat mij begeleidde sprak nu en zei: ‘Wat je nu ziet heb je al vele malen eerder mogen zien. Je denkt dat dit het leven is van de mensen op aarde. Waarom denk je dat eigenlijk?’ Ik was even van mijn stuk gebracht en had niet direct een antwoord. Het wezen vervolgde: ‘Je denkt dat dit het leven is, omdat je in je denken geconditioneerd bent om dit zo aan te nemen. Met andere woorden je denkt er niet werkelijk over na maar neemt gewoon aan dat het tafereel dat je nu ziet iets le- vends voorstelt. Zo is het met de mensen op aarde ook. Zij we- ten het antwoord niet, omdat zij er niet echt over nadenken wat leven nu werkelijk is. Vanuit de menselijke optiek kan ik je gerust stellen. Alles wat je nu ziet, leeft inderdaad, maar vanuit de goddelijke optiek gezien ligt dat toch enigszins an- ders. Als je namelijk het woord “leven” gebruikt voor iets wat je bijvoorbeeld meemaakt en wat je om je heen waarneemt, dan zou er ook “dood” moeten zijn maar dat is er niet, begrijp je dat?’ Ik moest dit even laten bezinken maar begreep wel wat zij bedoelde. Ik was inderdaad nog nooit ‘dood’ tegeng- ekomen, noch in het stoffelijk leven, noch in de geestelijke wereld. Het besef dat leven de tegenhanger van dood zou moeten zijn, was een diepe maar ook logische openbaring, maar ik begreep ook dat er meer aan vast zat dan alleen deze ogenschijnlijke tegenstelling. Het wezen sprak nu weer en zei: ‘Er is geen dood in Gods schepping. Slechts verschillende vormen van leven. Mensen zijn geconditioneerd te denken dat alleen de biologische pro- cessen die zij kennen, als leven beschouwd kunnen worden en dat iets wat niet aan die criteria voldoet, dood moet zijn. Een stuk steen of een levenloos lichaam van een mens zijn in die optiek dan dood. Je hebt al vaker kunnen zien dat dit sterven van een menselijk of dierlijk lichaam of een plant slechts transformatie is van de ene in de andere vorm. Ook de steen en het metaal leven op een wijze die men niet kan waarnemen. Maar er zijn ook andere aspecten aan “leven”. Als men bij- voorbeeld in het zijn van elke dag allerlei dingen meemaakt, dan voelt men dat men “leeft” en dat men in de energie van de “levensstroom” zit. Veel mensen voelen dit niet altijd en voor hen is het “leven” dan eigenlijk “doods”. Kijk eens naar het volgende voorbeeld en vertel me eens of dit leven is.’ Ik keek nu naar het beeld dat het wezen mij liet zien. Het was een stad op aarde waarin veel mensen woonden en werkten. Zij waren bezig met al hun menselijke bezigheden en ik kon ook hun mentale en geestelijke processen zien. Wat mij opviel was dat zij op een onbewuste manier door het leven gingen en dat zij de ‘levensstroom’ niet voelden. Zij werkten en waren met dingen bezig maar niemand voelde een werke- lijk leven in zich. Zij hadden een doffe en grijze uitstraling, waarin je geen werkelijk licht kon onderscheiden. Zij waren energieloos. Zij leefden en toch voelden zij het leven niet. Zij hadden geen bewuste verbinding met het werkelijke leven, dat niettemin als een sluimerende vonk in hen besloten lag. Vanuit deze optiek leken zij een beetje op robotten die slechts geacti- veerd dienden te worden. Het lichtwezen sprak en zei: ‘Zoals je ziet is leven niet alleen maar levend zijn in biologische zin. De mensen die zich in een dergelijk onbewuste fase bevinden hebben namelijk geen aansluiting met “het leven”; zij voelen de subtiele verbindingen niet die ook in hun leven wel degelijk aanwezig zijn. Zij nemen niet de tijd om zich hier bewust van te worden en leven hun leven als een consument. Zij consume- ren letterlijk hun levende lichaam totdat dat sterft en zij als geest verder kunnen gaan. Pas als er een bewustwordingspro- ces plaats gaat vinden, is het mogelijk dat zij het werkelijke le- ven als iets levends ervaren. * * * Een Psalm Erik van Ruysbeek: “Zangen van Ongrond”
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=