Reflectie 6(2).vp

Genesis of Darwin... wie heeft er gelijk? Johan Pameijer Omstreeks het jaar 1859 joeg de natuurkundige Charles Darwin veel christenen tegen zich in het harnas, toen hij zijn hoofdwerk “On the origin of spaces bij means of natural selection” aan de openbaarheid prijsgaf. Door natuurlijke selectie en via de trede van de aapachtigen was de mens tot aanschijn gekomen. Het recht van de sterkste zegevierde in een wereld, die volgens de chris- telijke traditie in zes dagen door God zou zijn geschapen. De geleerde trok een zwarte streep onder het oude geloof. Tweehon- derd jaar na zijn geboorte is de discussie onverwacht opgelaaid. Wie heeft er nu eigenlijk gelijk. Darwin met zijn revolutionaire evolutieleer of de Bijbel met zijn ongeloofwaardige scheppingsverhaal? Of misschien wel beide? De vruchteloze discussie tussen evolutionisten en creationisten greep ik aan om het eerste hoofdstuk van Genesis * nog eens met extra aandacht te lezen en op me te laten inwerken. De oude auteurs waren toch ook niet gek, bedacht ik me. Wat kon toch de magie zijn van die stokoude mythe? Al lezend viel mij de vierde scheppingsdag op. Een zeer bijzondere dag omdat er dan structuur komt in licht en duisternis van de eerste dag. Op dag 4 verschijnen de zon, de maan en de sterren; naar mijn be- scheiden mening leveren die de voorwaarden tot leven. Na de scheiding van de zielenwateren op de tweede dag en het scheppen van de voorwaarden voor leven op dag 3, wordt le- ven pas echt mogelijk op de vierde scheppingsdag. Dat is een belangrijke aanwijzing in de richting van een esoterische uit- leg. Twee- tot drieduizend jaar geleden hadden de Bijbelse zieners geen enkele moeite met de oosterse leer van de cha- kra’s. Reizigers langs de aloude zijderoute beïnvloedden el- kaar over en weer. Inmiddels weten we dat het gedachtegoed van de zeven chakra’s onvervormd terugkomt in het Onze Va- der, de zeven geboortetekens van Jezus en de zeven tekens bij zijn sterven (Mat. 27), maar ook in de zeven grote gebeurte- nissen in zijn leven, zoals geboorte, doop, transfiguratie, kruis- dood, opstanding, hemelvaart en uitstorting. Zonder daar op deze plaats dieper op in te gaan, belanden we bij het vierde chakra, verbonden met het hartcentrum. De vierde laag in de serie van zeven is altijd weer ingeruimd voor iets wat essen- tieel is in de “schepping”, namelijk licht, liefde en leven. Klaarblijkelijk beschikten de samenstellers van het schep- pingsverhaal over veel meer innerlijke kennis dan wij ons met onze rationele geest kunnen voorstellen. Misschien zouden ze zich dood hebben geschaamd, als ze wisten dat anno 2009 na Christus gebakkeleid zou worden over vragen die in hun hoofd helemaal niet opkwamen. De onbekende auteurs uit een ver verleden waren esoterici van het zuiverste water. Veront- waardiging in de richting van de eerbiedwaardige geleerde Darwin zou naar hun mening zeker niet terecht zijn. Darwin deed wat hem was opgedragen. Hij stelde de groei van de belichamingen vast, maar bekommerde zich niet om de geestelijke levenskrachten daarbinnen. Darwin hield zich niet bezig met spiritualiteit. Hij verhoudt zich tot de scheppings- zesdaagse als de bewerker van het hout waarvan een muziek- instrument wordt vervaardigd tot de musicus die de prachtig- ste muziek op dat instrument tot klinken brengt. Goddelijke magie Zolang de mens bestaat, heeft hij zich verwonderd over het universum, de natuur en zijn eigen menselijkheid. Hij stelde zichzelf vragen en probeerde de juiste antwoorden te vinden. Wij delen deze verwondering. Boven onze hoofden strekt zich het reusachtige wonder van het heelal uit, een peilloze diepte waarin vele miljarden sterren met hun planeten, sterrenstelsels, quasars en zwarte gaten in een voortdurende dans om elkaar heen wervelen met onvoorstelbaar hoge snelheden, gerekend vanuit aards perspectief. Opziend naar dit staaltje goddelijke magie, raken we met diep ontzag vervuld. Ondanks dat de wetenschap met rasse schreden in de ge- heimzinnige diepte van het universum doordringt, realiseren wij ons dat hun kennis niet verdergaat dat met de zintuigen waarneembare uiterlijkheden. Omtrent de innerlijke bron, de alles veroorzakende oerkracht, kunnen we alleen maar gissen. Is het zo vreemd dat de mensheid deze energiebron in zijn machteloosheid “God” is gaan noemen? Ontdekkingen in de kwantummechanica, de kosmologie en de microbiologie brachten een respectabel aantal geleerden al tot de slotsom van het primaat van bewustzijn. Alleen een bewust genie kan het overweldigende wonder van de kosmos ontwerpen. In onze tijd worden veel raadselen ontsluierd, maar elke oplossing stelt ons voor nieuwe raadsels. Achter elk antwoord, hoe ingenieus ook, rijzen nieuwe vragen op. Het definitieve ant- woord is vooralsnog onbereikbaar voor het rationele verstand, dat denkt in kaders, onderdelen en structuren, terwijl het univer- sum zich toch als een ondeelbaar geheel aan ons vertoont. Wijsheid van het hart Steeds duidelijker dringt zich de indruk aan ons op dat de schrijvers van Genesis het scheppingsverhaal noteerden door de wijsheid van het hart en niet met de kennis van het ver- stand. Zij drukten zich uit in metaforen en na nu blijkt, zaten die niet ver bezijden de waarheid. Misschien is hun mythische visie zelfs meer waar dan de speculaties van de wetenschap, met alle respect voor de geweldige prestaties van onze geleer- de dames en heren. In het scheppingsverhaal zit een zekere logica. Luister naar de reciterende stem van de opschrijver: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig en duisternis lag op de vloed. En de Geest Gods zweefde over de wateren.” Een prachtige manier om de allereerste conceptie te beschrijven. Als thema’s van een grootse symfonie rijzen de lichtbeelden op uit de oerduisternis van het Niets, dat volgens Boeddha en de gnostici toch het grote Al omvat. Laatstgenoem- den merkten op hoe Gods Geest in het Lichtwater van de oer- ruimte zijn eigen beeld weerspiegeld zag. Op datzelfde ogenblik was hij niet meer alleen, maar waren hij en zijn spiegelbeeld de

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=