Reflectie 6(3) herfst 09.vp

Engelen - Archetypen, Energieën of Entiteiten Johan Pameijer Zigzaggend door een kettingbotsing. Het is me overkomen. Een mistbank doemde op als een grijze muur. Links en rechts knal- den de auto’s op elkaar. Het gieren van remmen, brekend glas en gegil. De hel brak los. En ik? Ik dreef mijn auto koelbloedig tussen de rokende wrakken door naar de vrijheid. Ongedeerd maar zwaar geëmotioneerd laveerde ik het vehikel weg van de cha- os van versplinterd staal. Tien doden en vele gewonden lieten we achter ons. Het eerste wat ik zei daar tussen Salzburg en München: “Een engel reed mee.” En dat geloof ik nog steeds. Ruim twintig jaar na het slagveld op de snelweg geloof ik daar nog steeds in. Wie stuurde het voertuig zo vastberaden tussen de wrakken door? Wie redde zelfverzekerd ons leven? En de volgende vraag: waarom, juist ons leven? – Een engel reed mee. Het ontglipt je zomaar, maar wat zeg je eigenlijk? Hetzelfde wat zoveel getuigen in de vele verzamelbundels over de hulp van engelen hebben verteld. Met zijn bestseller “Een engel op je pad” wierp de Haarlemse huisarts H.C. Moolenburg de knuppel in het hoenderhok. Zijn boek maakte vele tongen los. Daar kwamen ze, de eng- elverhalen. Bij stromen regenden ze uit de hemel. Na een afwezigheid van enkele eeuwen keerden de engelen terug op aarde. Ze mengden zich weer tussen de mensen en grepen in waar het nodig was . Rond die tijd schreef de Nederlandse angeloog - jazeker, een wetenschappelijke engelkundige – dr. R. Boon, een boekje met als intrigerende ondertitel “De ontmaskering van een pe- dant ongeloof.” Aan het schrijven van dat boek was langduri- ge aarzeling vooraf gegaan. “Wie, behalve de schrijver, inte- resseert zich nog voor engelen?” vroeg hij zichzelf af. “Het heeft geen zin iets te publiceren over een onderwerp waarvoor ogenschijnlijk geen belangstelling bestaat.” Toch maakten dergelijke overwegingen de auteur bewust van de noodzaak van zijn studie. “We zijn ver verwijderd geraakt van de ont- vankelijkheid voor ‘de dingen die boven zijn,” motiveerde dr. Boon zijn werk. Na hem week de terughouding. De bioloog Rupert Sheldrake en de theoloog Matthew Fox publiceerden een geleerde dialoog over engelen en in 2002 verscheen een kloek standaardwerk over engelen onder de titel “Boodschap- pers uit hogere sferen.” Engelen raken weer in de mode. Terugziend op mijn eigen leven herinner ik me een kleine engel, die biddend aan het voeteneind van mijn kinderbedje verscheen en door mijn moeder werd gezien. Drie jaar oud lag ik zwaar ziek te bed en ik zou zeker sterven. Mijn bezorgde moeder stond handenwringend in de deuropening. Plotseling ontwaarde ze hem, de kleine, biddende lichtgestalte, gehuld in een gouden aureool. Ze heeft het me vaak verteld. Het was één van de indrukwekkendste ervaringen van haar korte leven. Vooral omdat ik diezelfde avond weer begon te eten en de volgende dag tegen alle verwachtingen in zienderogen op- knapte. De engel had zijn werk gedaan. Vele jaren later zag mijn driejarige kleindochtertje een engel in de kerk te Raalte. Vriendelijk zwaaide ze naar het wezentje dat links boven het altaar zweefde. “Naar wie zwaai je?” vroeg mijn vrouw verwonderd. “Naar die engel,” antwoordde het frêle meis- je. “Die zit er toch altijd”, voegde ze er met ontwapende vanzelf- sprekendheid aan toe. Ze bestaan dus toch, de onzichtbare weldoeners. Een pathologische fixatie op het materialisme verd- reef hen uit het menselijk bewustzijn, maar in het laatste kwart van de twintigste eeuw werd er weer naar ze uit gekeken. De kosmische machine Toch zijn engelen ingebed in de wereldcultuur. Vrijwel alle heilige schriften bevolken ze. Onze eigen Bijbel staat vol met anekdotes over engelen. Denk maar aan het gevecht van Jacob met de engel of de geboorteaankondiging van Jezus. In die oude tijden bestond geen enkele twijfel aan het bestaan van deze hogere lichtwezens. Overal ter wereld maakten de deva’s, de apsara’s en de goden deel uit van het dagelijkse leven. Nie- mand twijfelde eraan of Zeus, Pallas Athene en Poseidon wa- ren levende entiteiten, niet gebonden aan aardse beperkingen, maar voorzien van een allesoverziend besef van het bestaan. Krishna, Rama en Vishnoe maakten deel uit van de normale Indiase omgangsvormen. Nooit was er een tijd die bovennatuurlijke wezens zo ne- geerde als de laatste eeuwen in het Westen. Ondanks de domi- nantie van de Rooms-Katholieke Kerk waren engelen verdrongen naar de gebedsnissen van de kloosters. Het klassie- ke werk van de zesde-eeuwse neo-platoonse mysticus Dionysius de pseudo-Areopagiet “De hemelse hiërarchieën” werd nog slechts in obscure achterkamertjes gelezen. Het Westen maakte schoon schip met onbewijsbare nonsens uit een ver verleden. Sedert de zestiende eeuw steunde de wetenschap op het me- chanistische wereldbeeld van Newton. Het universum was een gigantische machine, bestuurd door onpersoonlijke natuurwet- ten en overgelaten aan de grillen van puur toeval. Een godheid kwam er niet aan te pas, laat staan de engelen. Darwin wees de schepping in zeven dagen naar de prullenmand met zijn alom aanvaarde evolutietheorie. God werd verbannen naar de kerken en de protestantse theologie ruimde zelfs geen plaats in voor de engelen. Een ontzield universum holde het spirituele leven van de westerse mens tot op de bodem uit. Voor het bestaan van engelen bestond geen enkele wetenschappelijke grondslag. Licht in de duisternis Maar... “wetenschap zonder religie is lam en religie zonder wetenschap is blind”, sprak in het eerste kwart van de twintig- ste eeuw een Joodse geleerde met een wilde haardos. Zijn naam, Albert Einstein, wordt tot de huidige dag met respect genoemd. Einstein koesterde de diepgewortelde overtuiging van een intelligente scheppingsmacht aan de basis van het on- begrijpelijke universum. Achter de uiterlijke dingen gaat een ordening schuil die alleen met de intuïtie kan worden door- vorst, beweerde de bedenker van de fameuze formule E = MC² ofwel materie is energie. Daarmee zette hij de wetenschap op zijn kop en reikte de religie, in welke vorm dan ook, de hand.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=