Reflectie 6(3) herfst 09.vp

Ook het verhaal in Exodus is uitvoerig bestudeerd door de Kabbalisten. Mozes wist het volk van Israel te ontdoen van het juk van Pharao, die het volk in slavernij gebonden hield. Vele rampen moesten over Egypte komen voordat het volk zich naar het be- loofde land (van melk en honing) kon begeven. Of een dergelijke beschrijving historisch en feitelijk klopt, is voor de Kabbalist niet het meest interessante onderdeel van de boeken in de Thora. Door een poëtische in plaats van een letterlijke interpretatie, en door een meer mythische dan letter- lijke zienswijze, komt de Kabbalist uit op het hanteren van de geschriften als levende en bruikbare gereedschappen die tijdloos ieder mens kunnen dienen. Terugkomend op ‘Mozes en het Volk van Israel’ betekent ‘Pharao’ dan: een inherent onderdeel van de psyche van ieder mens, en representeert het ego en de gebondenheid aan de ma- terie en persoonsgebonden patronen. ‘Pharao’ wil daarom niet loslaten wat het bezit en moet noodgedwongen door rampen (pijn) zijn bezit opgeven. Want daarvóór was “het hart van Pharao als van steen”, oftewel het hart kon niet anders dan enkel voor zichzelf leven in de kleine wereld van het ego. De uiteindelijke uittocht van het volk uit Egypte is de eer- ste initiatie van het bewustzijn, een beweging van het bewust- zijn in de richting van een ander leven, totdat men een groot obstakel tegenkomt, de Rode Zee. Dat is de tweede initiatie, waarna men niet meer terug kan (naar de oude gewoonte van slavernij) en zo in het kort gaat de reis verder naar het beloof- de land (Hemel), naar het Erfgoed der mens (Adam). Op de berg Sinaï ontvangt Mozes uiteindelijk de ‘Tien Gebo- den’, die hij stuk slaat, zodra hij het volk en zijn broer Aaron aantreft te midden van een groot offerfeest ter ere van een gouden Kalf. Hierop keert Mozes terug om een tweede paar tabletten te halen met de ‘Tien Geboden’. De Kabbalisten verklaren dit als volgt: op de eerste afda- ling neemt Mozes de esoterische wetten mee, de wetten die de mens leren hoe het Goddelijke in de mens leeft en is. Wanneer Mozes ziet dat het volk daar niet klaar voor is, juist door het uiterlijk eren van een afgod, besluit Mozes om een juistere, of gepastere versie te verkrijgen in de vorm van de exoterische wetten van het leven. Zo zien we, dat we in iedere traditie, in iedere grote (insti- tutionele) religie, een exoterische en een esoterische kant te- genkomen. Een uiterlijke en innerlijke belichaming en beleving van de traditie. Dit was in het kort en beknopt ter illustratie hoe de kabba- listische visie op OT-geschriften kan zijn. Andere grote teksten die geschreven zijn door kabbalisten en voor kabbalisten, zijn de Sepher Yezirah (boek der vor- men), de Zohar (boek der pracht) en de Bahir (boek der lette- ren). Drie klassiekers in de ontwikkeling van de kabbalistische traditie en tot vandaag de dag nog altijd een schat van infor- matie over deze oude leer. Toch is er door de eeuwen heen veel veranderd in de kab- balistische traditie. En dat geeft tevens een belangrijk kenmerk van die traditie: “alles is in beweging” en daarom moet de tra- ditie ook bewegen (leven). De meeste kabbalistische scholen hebben door de tijd heen deze universele wetmatigheid aan- vaard en de leer gezien als iets organisch, een leer die ademt, pulseert, voortplant en tevens uitscheidt. Dat zorgt ervoor dat oude en klassieke teksten en de Bijbelse geschriften nog steeds gehanteerd kunnen worden, steeds in het tijdsbeeld en de erva- ringen waarin de mens leeft, zowel toen als nu. Zo zien we ook, dat voor bepaalde kabbalisten het Platoni- sche en Neo-Platonische gedachtegoed een nieuwe bron van inspiratie werden, waarin het syncretisme van die tijden, Christendom, Vedanta, Griekse filosofie en Egyptische wijs- heden samen konden smelten. Kabbalah als leer bestond toen al honderden (?) jaren, maar nog niet onder die naam; deze werd pas gehanteerd rond de Middeleeuwen. Eerder, rond de tweede en derde eeuw na Christus, kwa- men bepaalde Rabbies in de openbaarheid met hun kabbalisti- sche conclusies. Simeon ben Yochai en Mozes de Leon zijn twee personen uit die tijd die besloten om de traditie in de openbaarheid te brengen, door geschrift en de mondelinge overdracht. Vanuit het toenmalige Spanje, Zuid-Frankrijk en de Provence, kwamen de meeste vernieuwingen tot stand, via “spirituele kruisbestuiving” met de Arabische en christelijke bevolking in Spanje (Toledo, Cordova etc.). De Katholieke Kerk had in die tijden (13 en 14 eeuw) geen vaste greep op haar volgelingen en moest toezien dat in delen van Europa er een onderlinge beïnvloeding tot stand kwam. Thomas Aquinas kwam met een redelijke oplossing door het bestuderen van de Joodse geschriften en door kennis van de werken van Dionysius de Areopagiet en Aristoteles. Hij ontwikkelde een geheel nieuwe theologie waarin het abs- tracte universum naar het profane werd gebracht en het God- delijke en de engelen dichter bij de aarde. Zelfs de grote bouwers van de kathedralen werden hierdoor beïnvloed.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=