reflectie78(1-2).vp
‘magnetische’ banden die we op aarde hebben nog actief zijn. Die worden pas doorgesneden als we onze voorbestemde tijd in het fysieke vlak hebben uitgediend.” Als iemand zichzelf doodt, beseft hij als een van de eerste dingen inderdaad dat hij niet dood is. Omdat de aardse banden nog deel uitmaken van zijn aard, heeft hij het overweldigende gevoel dat hij heel zwaar is. In een bepaalde zin kunnen we zeg- gen dat de ziel niet geheel vrij is. De sterfelijke persoonlijkheid wil doorgaan, maar de onsterfelijke ziel niet. De ziel blijft vast- zitten tussen de fysieke wereld en de onstoffelijke wereld – levend, maar niet in staat met geliefden of iemand anders te communiceren. De ziel voelt schuld, pijn en angst, omdat een leven is afgebroken. Haar bestemming wordt haar geopenbaard en zij hoort hoe weldadig en zinvol het leven zou zijn geweest, als de persoon in leven gebleven was. In zijn onstoffelijke staat beseft hij waarom hij die bepaalde omstandigheden moest door- maken die hem tot zelfmoord dreven. Het ergste is dat hij zich tussen twee levens in voelt bestaan. Hij kan niet naar de hemel en hij is ook niet in staat terug te keren naar de fysieke wereld. Hij zit vast in niemandsland, met de voortdurende herinnering aan zijn afschuwelijke daad. Steeds opnieuw ziet hij zijn dood en die speelt zich af als in een film met slechte afloop. Hij zit gevangen en kan niet uit de bioscoop komen. Van Praagh wijst er ook op dat – terwijl sommigen beseffen wat ze hebben ge- daan – veel zelfmoordslachtoffers zich toch niet eens bewust zijn dat ze gestorven zijn. Over het algemeen genomen herbele- ven die zielen automatisch steeds hun dood. De daad van zelf- moord wordt, in zijn visie, een eindeloze lus die vrij gruwelijk kan zijn. Op den duur dringt bij deze zielen het besef door dat ze echt dood zijn op het fysieke vlak. De opvatting van de auteur over zelfmoord komt erop neer dat na een zelfmoord de ziel de ervaring opnieuw moet doorma- ken, ervan kan leren, waarna men kan terugkeren in een ande- re levenscyclus met eenzelfde of soortgelijke situatie of ziekte die men wilde ontlopen. Hoewel hij begrip ervoor heeft dat men, vanwege bepaalde gevoelens, omstandigheden en over- tuigingen, een perfecte reden zou kunnen vinden om zich van het leven te beroven, is dit naar zijn mening vanuit spiritueel oogpunt niet juist. “Nog nooit heb ik één geest gehad die door- kwam en mij zei dat hij gelukkig was met zijn besluit, hij zou zoiets nooit meer doen. Alle zelfmoordslachtoffers hebben de- zelfde gedachte van spijt over de misdaad jegens hun ziel. Ik kan zeggen dat allen die zijn doorgekomen anderen gewaar- schuwd hebben hun vergissingen niet te herhalen. De daad van zelfmoord heeft hun spirituele vooruitgang vertraagd en ze hebben het er heel moeilijk mee gehad zichzelf te vergeven.” Bijnadoodervaring en suïcide Ogenschijnlijk valt de bijnadoodervaring buiten het kader van dit artikel, maar kennisname hiervan kan, zoals blijkt, zelf- doding voorkomen. Mensen kunnen door hun confrontatie met een bijnadood- ervaring van anderen, maar ook door het lezen erover, getroost en zelfs getransformeerd worden. Zo’n ervaring toont ook aan hoe wij, door onze aanwezigheid bij het overlijden van een ge- liefd persoon, ons soms enkele van de kwaliteiten die bij BDE’s horen, eigen kunnen maken. De kennismaking daarna met de literatuur over BDE’s kan de zielenpijn inderdaad transformeren en kan uiteindelijk tot een leven ten dienste van 16 Reflectie 1 (1-2) september 2004 Leven en Dood Onder leiding van Hildegard von Bingen (1089-1179) werden omstreeks 1170 haar visi- oenen in een codex verzameld en geïllustreerd. Het zesde visioen van het eerste boek toont de negen engelenkoren, te beginnen met de serafij- nen, cherubijnen en de Tronen, en gaande tot de engelen in de buitenste kring. Rupertsberger Codex, verdwenen handschrift uit de Landesbibliothek Wiesbaden. (Dit plaatje werd overgenomen uit “Bood- schappers uit Hogere Sferen, de cultuurgeschie- denis van de engel” Uitgeverij Kok)
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=