reflectie zomer 2013.vp
Overgenomen met toestemming van de uitgever Reïncarnatie en Christendom — deel 2 Jacob Slavenburg en John van Schaik uit ‘Bronnen van de westerse esoterie – Magie, mythen en mystiek’ De bronnen van de tegenstanders In de anonieme tekst La heresi Catharorum in Lombardia wordt geschreven over de katharen in Noord-Italië in de perio- de tussen 1150-1200. Over de reïncarnatie lezen we: Ze verklaren dat de menselijke lichamen deels zijn bezield door die boze geesten die door de duivel geschapen zijn en deels door die engelen die gevallen zijn. Deze zielen doen boete in deze lichamen en, als ze niet gered worden in een lichaam, gaat een ziel over in een ander lichaam en doet boete. De cruciale zinsnede is hier: anima intrat aliud corpus – de ziel gaat over in een ander lichaam. Het gaat hier om zielen die in menselijke lichamen ‘in of binnengaan’ (intrare) . Dus volgens onze definitie gaat het om metemsomatosis. Het gaat hier uitdrukkelijk over menselijke lichamen (corpora huma- na) . Volgens dit geschrift is er nog een andere kathaarse frac- tie die leert: Die geesten die gevallen zijn, zijn niet voorbestemd voor redding tijdens hun belichaming, en dus gaan ze voort van lichaam tot lichaam. Dit zal duren, zelfs tot aan het eind van de wereld. Geesten gaan voort (procedunt) van lichaam tot lichaam. Of het hier om menselijke lichamen gaat (metemsomatosis) of ook om het voortgaan in dieren (metempsychosis), is niet vast te stellen. Alanus ab Insulis schrijft rond 1200 zijn studie Quadripar- tita editio contra hereticos. Daarin schrijft hij dat de katharen de metemsomatosis leren. De anonieme Manifestio haeresis Albigensium et Lugdu- nensium handelt over de katharen in Zuid-Frankrijk rond 1210. Daarin lezen we: Ze geloven ook dat wanneer de ziel het menselijk lichaam verlaat, het overgaat naar een ander lichaam, ofwel van een mens ofwel van een dier, tenzij de persoon gestorven is terwijl hij hun leer aanhing. Volgens deze bron leren de katharen dus de metempsycho- sis. De perfecti hoeven niet meer te reïncarneren, maar ont- vangen na hun dood een ‘hemels lichaam’. Peter de Vaux-de-Cernay schrijft rond 1215 zijn Manifes- tatio haeresis Albigensium . Peter is mee geweest op de kruis- tocht tegen de katharen. Hij schrijft dat de terugkeer in ‘zeven lichamen van welke soort dan ook’ plaats vindt vooraleer men een verheerlijkt lichaam krijgt. Tot slot is er nog de bekeerde kathaar Reinerius Sacconi die rond 1250 gedetailleerd in gaat op de leer van de katharen. Volgens Sacconi is het de duivel die zijn eigen opstandige engelen ‘iedere dag doet overgaan in menselijke lichamen en in dieren en dat hij hen ook overbrengt van het ene lichaam in het andere’ (et infundit eas cotidie in humanis corporibus et in brutis, et etiam de uno corpore eas transmittit in aliud). Sacconi spreekt over metempsychosis. Sacconi schrijft ook over de Italiaanse kathaar Giovanni di Lugio die de reïncarnatie leert: ‘ook gelooft hij (di Lugio) dat de zielen van God overgebracht worden van het ene lichaam in het andere en dat allen tenslotte bevrijd zullen worden van straf en boete (credit quod anima dei transmittantur de corpore in corpus, et quod omnes in fine liberabuntur a pena et culpa). We zijn in het gelukkige bezit van een uitgebreide verhande- ling van deze Di lugio over zijn kathaarse leer bekend als het Liber de duobus principiis. Het is een omvangrijke kathaarse exegese, waarin alle leerstellingen van de (radicale) katharen bewezen worden aan de hand van bijbelcitaten. Maar … niets over reïncarnatie! Tussenbalans Tussen 1150 en 1250 zijn er dus zes anti-kathaarse bronnen (inclusief Aquino) die zich uitspreken over de reïncarnatieleer van de katharen. Men spreekt over de ziel die infundit en transmittit. Het begrip reïncarnatie wordt niet gebruikt. De bronnen zijn niet eenduidig: leren de katharen nu metemsoma- tosis of metempsychosis? Bovendien schrijft Peter de Vaux-de-Cernay deels de Manifestio haeresis Albigensium et Lugdunensium over en heeft Reinerius Sacconi het over de re- ïncarnatie bij Giovanni di Lugio terwijl dat niet voorkomt in het Liber de duobus principiis. De inquisitieverslagen tussen 1245 – 1323/4 In de inquisitieverslagen van Bernard de Caux en Jean de St. Pierre lezen we dat op 4 juli 1245 kathaarse verdachten ten overstaan van de inquisitie verklaren dat de ziel van een mens kan binnengaan (intrabat) in de ziel van een ezel teneinde ge- red te worden. Andere ketters verklaren op 13 juli 1246 dat de ziel kan binnengaan in ‘een ander lichaam’, zonder nadere be- paling wat voor lichaam dat is. In het register van de inquisitie van Toulouse tussen 1273 en 1280 lezen we in het verslag van 12 april 1274 dat de geest van ene Guillelmi Arebaudi uiteindelijk zal incarneren in het lichaam van een goede man – een kathaarse priester. Of er in de tussentijd ook incarnaties in dieren plaats vinden wordt niet vermeld. In de inquisitieverslagen van Geoffroy d’Alblis, inquisiteur in Carcasonne, lezen we in de verslagen van mei 1308 tot sep- tember 1309, dat de verhoorde katharen eerst verklaren dat ze tegen de kerk en alle sacramenten zijn en vervolgens dat ze geloven dat men kan terugkeren (redeunt) in een muildier. In hetzelfde inquisitieregister lezen we dat ene Sebelia den Balle verklaart dat de ziel zich opnieuw van een lichaam kan voorzien. Bernard Gui (1261-1331) is inquisiteur in Toulouse van 1307 tot 1324. Aan het einde van zijn functie als inquisiteur schrijft hij een praktische handleiding voor inquisiteurs: hoe ze katharen moeten ondervragen en waar ze op moeten letten om ze te ontmaskeren. In die handleiding lezen we dat de kat- haren onder geen enkele omstandigheid een dier of een ge- vleugeld schepsel doden. Dat is omdat ze geloven dat er in wilde beesten en in vogels geesten van mensen zijn die de lichamen hebben verlaten en dat die geesten van het ene 18 Reflectie 10(2), zomer 2013
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=