reflectie zomer 2013.vp
lichaam in het andere passeren. Het gaat dan om geesten van mensen die geen kathaar zijn. Tussenbalans In de inquisitieverslagen in de periode van 4 juli 1245 tot aan eind 1323/4 – dat is een periode van 78 jaar – komen we dus slechts zes keer een passage tegen over de vermeende re- ïncarnatieopvatting van de katharen (als we volledig zijn ten- minste). In drie gevallen gaat het evident om metempsychosis en in de andere drie gevallen is er geen expliciete toevoeging: of het om ingaan in een menselijk of dierlijk lichaam gaat kun- nen we niet vaststellen. De inquisitieverslagen van Jacques Fournier In de verslagen van Jacques Fournier, inquisiteur van Pamiers van 1318 tot 1325, gaat het relatief vaak over het geloof in re- ïncarnatie. In negen van de 95 verslagen van de verhoren is er sprake van reïncarnatie. Dat is het geval in processtuk 18, 20, 28, 38, 39, 48, 65, 66, 70. Processtuk 65 werken we uit aan de hand van het beroemde dorpje Montaillou van Emmanuel Le Roy Ladurie. In dit boek bespreekt Le Roy Ladurie onder meer de reïncarnatieleer van een der laatste perfecti met de naam Belibaste. Belibaste is gevlucht naar Spanje en wordt ui- teindelijk gepakt dankzij het verraad van ene Arnaut Sicre. Het inquisitieverslag (proces 65) is gedateerd op 14 januari 1332 te Carcasonne. Ten overstaan van Jacques Fournier ver- telt Sicre over de opvatting over reïncarnatie van Belibaste. Het is het waard om dit wat uitgebreider te citeren: Toen maakte Satan, de vijand van God, lichamen van men- sen waarin hij deze geesten (bedoeld zijn de engelen die uit de hemel zijn gevallen toen zij in opstand kwamen tegen God) opsloot opdat ze zich niets meer zouden herinneren van de heerlijkheid van de Vader. Wanneer deze geesten een tuniek (lichaam) verlaten, dat wil zeggen, zich reppen uit een lichaam, volledig naakt, verschrikt, lopen zij zo vlug dat, als een geest het lichaam te Valencia verlaat en in een ander dient binnen te dringen in het graafschap Foix, en het zou stortrege- nen over heel de weg, dan zouden nauwelijks drie druppels op hen vallen. Wanneer de geest zo verschrikt loopt, kruipt hij in de eerste vrije holte die hij kan vinden, dat wil zeggen in de buik van elk dier dat nog een levenloos embryo draagt: teef, konijn, merrie of om het even welk dier, of nog in de buik van een vrouw met dien verstande dat, zo deze geest verkeerd ge- handeld heeft in zijn eerste lichaam, hij in een lichaam binnen- dringt van een woest dier; indien hij daarentegen geen kwaad gedaan heeft, dan treedt hij binnen in het lichaam van een vrouw. Zo gaan de geesten van tuniek tot tuniek tot ze intre- den in een mooie tuniek, dat wil zeggen in een lichaam van een man of vrouw die begrip heeft van het Goede, en in die tu- niek worden zij gered en, nadat zij uit deze tuniek zijn getre- den (dat wil zeggen uit het lichaam van iemand van hun sekte) keren zij terug naar de Vader. Een andere kathaar uit de entourage van Belibaste, Peire Maury, weet voor de inquisitie te melden dat Belibaste leert dat de aarde de hel is waar de mensen van ‘tuniek tot tuniek’ gaan. Maury vertelt er nog iets opmerkelijks bij: alleen man- nen kunnen binnentreden in het Godsrijk. Vrouwen niet. Maar daar hebben de katharen een oplossing voor. De geesten van de parfaites worden na hun dood alsnog omgevormd tot een man. De verrader Arnaud Sicre gelooft maar half dat ‘geesten van lichaam naar lichaam, van dier naar mens en van mens naar dier verhuizen’. Hij wil bewijzen. Dan vertelt de bon- homme Belibaste het volgende verhaal. Ik parafraseer: Er was eens een moordenaar wiens geest na zijn dood naar het lichaam van een os ging. De geest van de os herinnert zich dat hij eens mens is geweest. Nadat de os sterft, treedt de geest binnen in het lichaam van een paard. Ergens verliest dat paard een hoefijzer. Ook de geest van het paard herinnert zich dat hij eens mens is geweest. In de volgende incarnatie is de geest weer mens en wordt uiteindelijk kathaar. De kathaar vindt het hoefijzer en zegt tegen zijn kompaan: dat was van mij toen ik een paard was. Mythe, legende en volksgeloof gaan in dit verhaal hand in hand. Emmanuel Le Roy Ladurie geeft een analyse van dit verhaal. Volgens Le Roy Ladurie is het geloof in zielsverhui- zing tamelijk algemeen in de Middeleeuwen, in ieder geval in Zuid-Frankrijk. Dieren zijn bezield door goede of boze gees- ten. Mensengeesten kunnen kennelijk ook in dieren incarne- ren. In de os en het paard uit het verhaal schuilt een boze men- sengeest. Maar dat lijkt eerder op animisme gekoppeld aan metempsychosis. Conclusies De bewijzen voor het feit dat de katharen in reïncarnatie gelo- ven lijken niet erg sterk te zijn. In de eerste plaats kun je je af- vragen of het geloof in (een vorm van) reïncarnatie specifiek is voor de katharen of dat het behoort tot het volksgeloof. Zou de inquisitie niet eenzelfde soort van verhalen te horen hebben gekregen wanneer ze een willekeurig iemand van de straat hadden geplukt? In de tweede plaats leveren de theologische bronnen van de tegenstanders van de katharen ook niet echt harde bewijzen. Gaat het nu om metempsychosis of metemso- matosis? Ten derde is het opmerkelijk dat de katharen zich in hun eigen geschriften niet uitspreken over reïncarnatie. Ze le- ren wel de pre-existentie van de ziel (of geest) die in een lichaam incarneert. Reïncarnatie in de Kerk van het Oosten In de achtste eeuw proberen Willibrordus en Bonifatius de Friezen in de Lage Landen met veel moeite tot het christen- dom te bekeren. Maar al een eeuw eerder, in 635, worden Nes- toriaanse christenen groots onthaald aan het keizerlijke hof van China door keizer Tai-ts’ung. Op de gedenksteen die naar aanleiding van de komst van de nestoriaanse christenen is ge- maakt in 781 staat te lezen: Kroniek van de Lichtreligie van Da Qin en haar verbreiding door heel China. Da Qin betekent ‘Uit het Westen’. Op de steen staan in het Syrisch onder meer de namen van zestig monniken – die dus uit het Westen komen. In 635 is Rome nog een onbeduidend bis- dommetje en Willibrordus (658-739) is nog niet eens geboren. Wanneer we onze oriëntatie verplaatsen naar de zijderoute, verschijnt er een christendom waar wij in het Westen nauwe- lijks iets van weten. Al in de tweede eeuw zijn er ‘Thomas- christenen’ in India. Volgens de overlevering is het christen- dom daar gebracht door de apostel Thomas. Eén van de ketter- se opvattingen van de Thomaschristenen is dat zij geen enkele moeite hebben met reïncarnatie. Dat is ook wel logisch, want de Thomaschristenen wonen in een gebied waar het boeddhis- me de overheersende godsdienst is. Er wordt wel veronder- steld dat het Mahayana-boeddhisme – dat in de eerste eeuw voor en na Christus is ontstaan – beïnvloed is geweest door de Kerk van het Oosten. Een uitdagende gedachte! Reïncarnatie 19 Reflectie 10(2), zomer 2013
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=