reflectie zomer 2013.vp

Ik ben het met Brico eens dat het besef dat de dood niet het laatste woord heeft, de wortel is van elke religie. “Je kunt geen geloof hebben zonder eeuwigheid. Geloof in elkaar helpt niet, want we zijn allemaal sterfelijk. We zoeken iets absoluuts. Er is iets in de mens dat verlangt naar datgene dat niet voorbij- gaat.” Brico wijst er in dit verband op dat veel godsdiensten zijn ontstaan uit begrafenisrituelen. Mensen dachten dat de geesten van de overledenen verder leefden. Als journalist heeft hij de statistieken gevolgd: met de af- schaffing van het geloof in het hiernamaals liepen ook de ker- ken leeg. “Het een is een logisch gevolg van het ander. Als het eeuwige nog verpakt was in een vraag – waar zijn onze doden, is er meer dan de dood? – dan hadden we het opengehouden, misschien op een kier gezet, maar we hebben de deur dichtge- daan. En dat heeft onze volksgeest verminkt.” Een van de redenen dat ik mij bij het hindoeïsme in het alge- meen en de vedische wijsheid in het algemeen thuis voel, is de visie op de dood: er is een sterk verband tussen leven en dood, vernietiging en schepping. De vedische geschriften hebben aan het “voortbestaan” in de loop der lange eeuwen vele woorden aan gewijd die in di- verse Upanishads verder zijn uitgewerkt. Maar in het Westen worden gelovigen het kille bos inge- stuurd met de boodschap: Dood is dood en dat is dat. Dan krijgt een vrouw die bij dominee over haar BDE ver- telt, te horen: dit staat niet in mijn bijbel. Dominee heeft ge- leerd dat Jezus over het water liep, maar niet dat mensen even in de hemel waren, want in een leven na de dood gelooft do- minee niet meer. Is het gek dat de kerken leeglopen? ¨ 3 Reflectie 10(2), zomer 2013 Van psalmenpomp tot de ‘opstandige’ derde symfonie van Albert Roussel Muziekkeuze Aat-Lambèrt de Kwant Mijn muziekkeuze voor het interview dat radio 4 mij afnam voor het programma ‘Met hart en ziel’(1) was voor de derde symfonie van Albert Roussel. (1869-1937) o.a. op onderstaande CD te beluisteren. Ik vind dat Roussel nog steeds te wei- nig aandacht krijgt. Deze vaak over het hoofd geziene toondichter uit Tourcoing, heeft buitengewoon boei- ende muziek geschreven. Zijn symfo- nieën dragen een uitgesproken aards karakter. Ruwe, bijna onbehouwen kracht in tegenstelling tot de verfij- ning, het visionaire en fantastische van bijvoorbeeld Ravel en Debussy. Sommige componisten zijn in de wieg gelegd om muziek te maken in alle betekenissen van het woord. Wonderkinderen in de categorie Mozart en Mendelssohn schijnen hun muzikale opvoeding al in de baarmoe- der begonnen te zijn. Bij andere componisten is het componeren in ze- kere zin bijzaak gebleven. De Franse componist Albert Roussel volgde een opleiding bij de marine. Als gevolg daarvan was hij na een training aan de Ecole Nava- le, zowel in Frankrijk als elders, waaronder het Verre Oosten, gestatio- neerd. Intussen had Roussel wel belangstelling voor muziek, had zelfs allerlei lessen gevolgd en besloot in 1894 zijn varende carrière voor de muziek te verruilen. Hij studeerde alsnog in Parijs compositie om zich vervolgens in 1898 als student te melden bij de door d’Indy nieuw op- gerichte Schola Cantorum, waar hij tien jaar over de uitgebreide studie deed. Overigens werd hij al in 1902 aan hetzelfde instituut als profes- sor in contrapunt aangesteld. Onder de leerlingen die hij daar tot 1914 onderwees bevonden zich onder anderen Satie en Varèse. Vanaf 1908 ontstonden allerlei belangrijke stukken in zijn oeuvre, zoals de eerste symfonie. Een uitgebreide reis door India en Zuid- oost Azië beïnvloedde zijn muziek direct, wat te horen is in Evocations en het opera-ballet Padmâvatî. Dit laatste werk voltooide hij terwijl hij her- stelde van verwondingen, die hij tijdens de Eerste Wereldoorlog had opgelopen. Daarna werkte hij vooral aan zijn tweede symfonie en het symfonisch gedicht Pour une fête de printemps (1920). Roussels muziek is, althans voor mij, heel plezierig om te beluiste- ren. Na 1930 lijkt hij zijn eigenlijke stijl lijkt te gevonden te hebben. Een fase in zijn laatste levensjaren waarin afkomst en opleiding tot eenheid zijn gebracht. In de werken uit deze periode komt dit het meest in zijn derde symfonie tot uiting. Het is een heftig, soms uitzinnig werk, vooral al in de opening, maar het kent ook heel lyrische delen. Het was het laatste deel in deze symfonie dat mij als twintiger al bij de keel greep, en dat in een streng calvinistische omgeving. Mijn keuze voor de muziek die mij raakte werd in het streng bevin- delijk gereformeerde milieu niet begrepen en zelfs tegengewerkt. Ik ben opgegroeid met tergend langzaam gezongen berijmde psalmen (je kwam adem te kort) die we met mijn vader achter de psalmenpomp (harmonium) moesten meezingen, nou ja, zingen…Geen gezangen overigens, die volgens de streng gereformeerde ayatollahs door de duivel geschreven waren. Tja, er was niet veel dat niet van de duivel was. Zoiets als haram voor moslims. Mijn voorkeur voor andere muziek dan psalmen en het orgelspel van Feike Asma en Piet van Egmond (dat mocht wel) werd er als het ware uitgeramd, vooral toen ik met een elpee kwam aanzetten van Joan Baez. Een concert van Joan Baez was voor mij eigenlijk een soort linkse hoogmis, waarin de hoop op een betere wereld en het ge- loof in de goedheid (en dus niet de slechtheid en goddeloosheid!) van de mens nieuwe perspectieven openden. En voor dat gereformeerde jongetje was het vooral genieten als Joan Baez tijdens concerten iedereen het stichtelijke ‘Amazing Grace’ liet meezingen. Voor mij een substituut voor de alle gevoel verstikken- de zwarte kousenkerk met vrouwen met witte gezichten en knotjes en mannen met granieten, harde koppen. De elpee moest ik omruilen voor een met orgel, maar dan wel met psalmen! En later kreeg ik zelfs bonje toen ik thuiskwam met een plaat met het concert voor twee violen van Bach. De afbeelding van de vio- liste Emmy Verhey, met toen nog prachtig lang haar, deed mijn vader in woede ontsteken. ‘Weg met die hoer uit mijn huis!’ Dat ik in die tijd stiekem een elpee kocht met de 3e symfonie van Albert Roussel, is achteraf opmerkelijk. Zeker, ik had natuurlijk ook Bach ontdekt, maar deze hartstochtelijke, uitbundige symfonie, vooral in het laatste deel, heb ik grijs gedraaid. Het werk opent met een heel woest fortissimo passage die ik ervoer als opstandige muziek. Het is wel wat afhankelijk van de uitvoering. Die oude elpee heb ik niet meer, maar naar mijn gevoel ben ik die zinderende energie nooit meer tegengekomen, ook niet op de overigens overtuigende vertolking van Orchestre National de France met Charles Dutoit op de bok. Gaat dus in de cd-winkel eerst eens verschillende uitvoeringen beluisteren, al is dit helaas niet overal meer mogelijk. Vroeger waren er tientallen klassieke winkels, maar het worden er steeds minder. Hoe dan ook, deze muziek vertolkte mijn ontluikend verzet tegen een gekmakend geloof. Het derde deel was voor mij een uitzinnige, vreugdevolle dans en dans was in het orthodox calvinistische milieu ‘not done’. Zelf heb ik dansen nooit goed onder de duim gekregen om- dat ik de motoriek van een aardbei heb. Hoe dan ook, het was heel an- dere muziek dan het Urker mannenkoor en Feike Asma. De kennismaking met Bach en later Roussel was het begin van een muzikale reis die nog steeds niet ten einde is en leidde er ook toe dat ik er over ben gaan schrijven. Van Psalmenpomp naar de 3e van Roussel. Weinigen hebben, ook nu nog, deze symfonie kunnen plaatsen, omdat ze het te heftig en ontoegankelijk vonden, maar het is juist die aardse, woestheid, maar ook de lyriek die me nog steeds naar de keel grijpt… Roussel, vertol- ker van het volle leven met zowel mooie als minder mooie momenten. (1) Deze bijdrage werd uitgezonden op 26 mei jl. op radio 4 * * *

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=