reflectie zomer 2013.vp

Boekeninfo – Uitgelicht: De onbeantwoorde Godsvraag van Frédéric Lenoir Aat-Lambèrt de Kwant Als God bestaat, waarom is hij dan onzichtbaar? Wanneer duiken de eerste goden op in de geschiedenis? Hebben joden, christenen en moslims het over dezelfde God? Is God een per- soon, een energie of een scheppingsprincipe? En als het een persoon is, waarom dan bijna altijd een man? Kan de wetenschap het bestaan van God bewijzen? Is het boeddhisme een re- ligie zonder goden? De Franse filosoof, socioloog en godsdiensthistoricus Frédéric Lenoir (zie foto) gaat in zijn nieuwe boek “God?” op zoek naar antwoorden op deze en andere vra- gen, waarbij hij de objectiviteit niet uit het oog verliest. Als toegift geeft hij zijn persoonlijke overtuigingen prijs. “Niemand weet wat God is. Het is een woord”, zegt hij in een interview in Trouw. Volgens hem is het niet zomaar een term, maar een woord dat ons in staat stelt om te praten over iets wat we niet kennen, een woord dat niet naar iets con- creets verwijst. Lenoir (1962) woont en werkt in Parijs, heeft een buitenhuis in de bossen van Fontainebleau, is hoofdredac- teur van ‘Le monde des religions’ , schreef romans, boeken over religie en filosofie, scenario’s voor stripverhalen en is een graag geziene gast in Franse tv-programma’s. Zijn boek ’Le Christ philosophe’ deed in Frankrijk stof opwaaien en verscheen begin mei in de Neder- landse vertaling. De Franse boektitel – letterlijk: Christus-filo- soof – bedoelt Lenoir provocatief: “Ik wil reacties uitlokken. Je- zus was geen filosoof in de strikte zin van het woord, want hij baseerde zijn wijsheden niet op de menselijke rede, maar op God. God valt nu juist bij uitstek niet met de rede te begrijpen. Je gelooft in God, maar je weet hem niet.” Wetenschappelijk bewijs voor Gods bestaan is er niet en ook met de rede komen wij mensen er niet dichter bij. Toch zijn Jezus’ woorden ook voor niet-godsdienstigen interessant, vindt Lenoir. “Want het christendom is meer dan een religie. Het is een humanisme. De waarden die Jezus in het Nieuwe Testament verdedigt, gelden voor iedereen. Onze samenleving is er volledig op ingesteld, alleen wordt Jezus’ boodschap he- laas niet door iedereen even goed gehoord.” Hoewel hij in de ogen van sommigen een ketter is blijft Lenoir zich wel als christen beschouwen. Want wat hij uit de evangeliën heeft begrepen is dat geloven niet in de eerste plaats inhoudt dat je het credo kunt opzeggen en naar de kerk gaat, maar dat je je verbonden weet met Christus, dat je zijn liefde toelaat en probeert je naaste lief te hebben. In zijn epiloog, die we met toestemming van de uitgever overnemen, zegt hij: “Daarom geloof ik ook dat Jezus niet is gekomen om een nieuwe godsdienst te stichten (hij is trouwens geboren en ge- storven als jood), maar om de aanzet te geven tot een univer- sele spiritualiteit, die – zonder ze te verwerpen – boven alle rituelen en dogma’s liefde stelt. God vereren betekende voor Jezus zijn naaste liefhebben. En dan doet het er niet meer toe of die naaste een jood, een Samaritaan, een boeddhist, een heiden of wat dan ook is. Johannes bevestigt deze revolutionaire gedachte in zijn eerste brief: ‘Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar lief hebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle wer- kelijkheid geworden. (…) Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God’ (1 Joh. 4:12; 4:7). En we vinden diezelfde idee terug bij Paulus in de prachtige lofzang die hij afstak ten be- hoeve van de Korintiërs: ‘Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat ber- gen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn’ (1 Kor. 13:2). Ze komt ook voor in veel passages in de synoptische evan- geliën, zoals de parabel van het Laatste Oordeel, waarin Jezus laat zien dat het criterium voor verlossing de liefde voor de medemens is, met wie hij zich vereenzelvigt: ‘Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. Want ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op, ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe’ (Mat. 25:34-36). Godsvraag onbeantwoord Er zijn dus twee redenen waarom ik christen ben: een persoon- lijke ervaring van de levende Christus en een voortdurende verwondering over de kracht, de spirituele verhevenheid, de menselijkheid en de universaliteit van de evangeliën. De persoonlijke God en het onpersoonlijke goddelijke Hoewel mijn verbintenis met het Absolute voornamelijk via Christus loopt, blijft de godsvraag voor mij onbeantwoord. In mijn hart weet ik dat er iets bestaat wat mij te boven gaat en me soms aangrijpt – een diep levensmysterie, een ander niveau van de werkelijkheid dan de stoffelijke, waarneembare wereld – maar ik kan niets over dit mysterie zeggen, behalve dat het bestaat uit liefde en licht. Daarmee sluit mijn eigen ervaring aan bij die van vele spirituele denkers uit alle culturen en tijd- perken die deel uitmaken van de grote, multidisciplinaire stro- ming van de apofatische mystiek: van het neoplatonisme uit de Oudheid, de joodse kabbala, de christelijke negatieve theolo- gie en het islamitische soefisme tot aan de theosofische 4 Reflectie 10(2), zomer 2013

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=