reflectie zomer 2013.vp

mystiek van de Renaissance. Niemand weet wie God is. Als God bestaat, blijft Hij per definitie een mysterie voor ons. Ik ben van mening dat gelovigen niet zouden moeten pro- beren om het onbenoembare af te bakenen, te omschrijven of te objectiveren. Dat is de tragedie van de monotheïstische godsdiensten: door God voortdurend te benoemen, door steeds weer te zeggen wat Hij is en wat Hij wil, hebben ze Hem ui- teindelijk ‘verstoffelijkt’ en zijn ze tot de idolatrie vervallen die ze geacht werden te bestrijden. Als God bestaat, zal Hij al- tijd het menselijke verstand te boven gaan, en ook al heeft Je- zus een bijzondere of zelfs unieke band met God – een idee die de grondslag vormt van het christelijke geloof – het zal al- tijd een raadsel blijven wie Hij ten diepste is. Dat geeft ook de beperkingen aan van de leer van de Drie-eenheid.” Kloof tussen verdraagzamen en onverdraagzamen Hoewel Lenoir dus in die ‘Godheid’ gelooft, in dat ‘Ene’, in het onbenoembare goddelijke principe, staat hij wantrouwig tegenover elke vorm van goddelijke ‘openbaring’, want: “zo- als ik in dit boek al heb uitgelegd, heeft elke openbaring een culturele en een politieke context waardoor ze sterk wordt be- ïnvloed. Wat het ‘woord van God’ heet te zijn, houdt altijd verband met een specifieke tijd en plaats, met bepaalde opvat- tingen en machtskwesties. En zelfs als het goddelijke zich via profeten of geschriften openbaart, wat ik niet wil ontkennen, raakt het menselijke daarbij onlosmakelijk met het goddelijke verbonden, en is het van belang dat daartussen een duidelijk onderscheid wordt gemaakt. Elke letterlijke lezing van religieuze teksten leidt volgens hem tot onverdraagzaamheid en geweld. Het ritueel en het in- stituut moeten als middel en niet als doel worden beschouwd. Elk dogma, elk theologisch discours is betrekkelijk, want be- paald door de heersende cultuur, maar ook door de beperking- en van de taal en het verstand. Uit zo’n absolute benadering van de geschriften, van het ritueel, van de traditie of het insti- tuut komt religieus fanatisme voort, dat vele vormen kan aan- nemen. Tegenwoordig zijn het de islamitische extremisten en extreemrechtse christenen die dood en verderf zaaien; en de joodse kolonisten die elk vredesproces dwarsbomen; en de ka- tholieke kerkvoogden die pedofiele priesters de hand boven het hoofd houden om het instituut te beschermen; en de hin- doeïstische nationalisten die moslims uitmoorden. En ga zo maar door. Maar ook als religieus fanatisme zich van een min- der gewelddadige kant laat zien, blijft het een hardnekkig ob- stakel voor vrede en begrip tussen de mensen. Dan denk ik aan die honderden miljoenen gelovigen van al die verschillende religies, die ervan overtuigd zijn dat ze de hoogste waarheid in pacht hebben; dat alleen hun heilige schrift de echte openba- ring is; dat de rituelen en verboden waaraan zij zich houden onontbeerlijk zijn voor het zielenheil. De grootste kloof gaapt naar mijn mening dan ook niet tussen gelovigen en nietgelovi- gen, maar tussen verdraagzame en onverdraagzame, dogmati- sche en ondogmatische mensen. Zoals mijn vriend André Comte-Sponville al zei: er zijn net zo goed dogmatische athe- ïsten als dogmatische gelovigen. Ze hebben met elkaar ge- meen dat ze hun geloof tot kennis verheffen en degenen die hun zekerheden niet delen verachten of lastigvallen. Ondog- matische gelovigen en atheïsten verheffen hun innerlijke over- tuiging niet tot objectieve kennis en hebben oprecht respect voor eenieder die het niet met hen eens is. De filosoof Maurice Merleau-Ponty zei ooit enigszins verongelijkt: ‘Met katholie- ken kun je niet discussiëren, want zij weten.’ Dat geldt geluk- kig niet voor allemaal (veel katholieken zijn tegenwoordig verdraagzaam en staan open voor de ideeën van anderen), en hij had hetzelfde kunnen zeggen over veel atheïsten, ook al heeft hun dogmatisme niet dezelfde tragische gevolgen als dat van religieuze fanatici indertijd had. Als ondogmatische gelo- vige kan ik op een vruchtbare en waarachtige manier ideeën uitwisselen met André Comte-Sponville, omdat hij een ondog- matische atheïst is. Maar met dogmatische gelovigen of athe- ïsten is vrijwel iedere discussie onmogelijk, omdat zij liever hun zekerheden in de strijd gooien dan dat ze gezamenlijk naar de waarheid zoeken. Wat de vooruitgang van de mensheid en de ontwikkeling van kennis het meest in de weg staat, is niet het geloof of het gebrek daaraan, zoals eeuwenlang gedacht werd, maar dogma- tische zekerheid, van welke aard dan ook. Want die leidt altijd – op al dan niet heftige of uitgesproken manier – tot de afwij- zing van de ander, tot onverdraagzaamheid, fanatisme en ob- scurantisme. In een wereld waarin alles en iedereen met elkaar in verbinding staat en waarin sprake is van zulke enorme uit- dagingen lijkt het me gevaarlijk en bespottelijk om zulke hevi- ge twisten te voeren over religie en over de – onbeantwoord- bare – godsvraag. Waarin we ook geloven, gaat het er niet om dat we de universele waarden cultiveren en bevorderen die ons binden en waarvan de toekomst van de hele mensheid afhangt: gerechtigheid, vrijheid en liefde? ¨ 5 Reflectie 10(2), zomer 2013 Sculptuur in de beeldentuin van Gees, Oost-Drenthe Foto: Rudolf H. Smit

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=