Reflectie 11(1) voorjaar 2014.vp
toe symbolische waarheden tot exoterische gebeurtenissen. De ‘opstanding van Jezus uit de doden’ is niet meer een verwijzing naar de dood van het eigen ego en de eenwording met het Eeu- wig Goddelijke. Het moet een hard feit worden. Hoe maak je dat duidelijk? Hoe vertel je dat? Door te ver- tellen dat de apostelen Jezus na zijn dood fysiek konden betas- ten. Sterker kon het niet beschreven worden. Maar wat dan te doen met de Thomaschristenen die vast wilden houden aan de symbolische betekenis van de ‘opstanding uit de dood’ voor iedere mens? Door te vertellen dat Thomas door Jezus zelf over dit ongeloof van hem berispt werd. Daarom lezen wij nu nog in hoofdstuk 20 van het evang- elie dat aan Johannes wordt toegeschreven hoe Jezus fysiek aan de leerlingen verschijnt zonder dat Thomas er bij is. Als een week later Jezus weer verschijnt en Thomas er wel bij is, krijgt hij een berisping van Jezus omdat hij niet geloofd heeft. En dan laat Johannes Jezus tegen Thomas zeggen: ‘Zalig die- genen die niet zien en toch geloven.’ (Joh. 20:29). Basis van het Westerse christendom Deze fysieke verrijzenis van Jezus zou de basis worden van het traditionele christelijk geloof en niet alleen de kerkelijke leiders maar ook kunstenaars hebben zich vaak uitgeput om dit in beeld te brengen. Een goed voorbeeld daarvan is Cara- vaggio die in 1602 op een aangrijpende wijze ‘de ongelovige Thomas’ schildert die gedwongen wordt zijn hand in de ge- wonde zijde van verrezen Jezus te leggen. Carravaggio – Het ongeloof van St. Thomas Maar historisch gezien klopt dit niet. Dit is feitelijk nooit zo gebeurd. Origenes, een beroemde christelijke leraar in de der- de eeuw CE, noemt het geloof in de fysieke verrijzenis van Je- zus dan ook ‘kinderpraat, een verhaaltje voor de kleuter- klas’ (7) . Een volwassen christen neemt dit niet serieus. Dat klopt met de zienswijze van Thomas. Voor hem was het ge- loof in de fysieke verrijzenis van Jezus een terugval in de illu- sie van het afgescheiden ik. De verrijzenis was voor hem een innerlijk gebeuren en het geloof in de fysieke verrijzenis van Jezus was iets ongehoord nieuws en ongeloofwaardig. Een fatale splitsing In feite wordt hier een splitsing gemaakt tussen ‘geloven’ en ‘zien’ en wordt er prioriteit gegeven aan ‘geloven’. Niet het ‘zien’, niet het innerlijk waarnemen en ervaren is nog van be- lang op de spirituele zoektocht, maar het geloven op gezag van anderen. Dit zou in de geschiedenis van het christendom lei- den tot een fatale splitsing tussen wat je innerlijk meemaakt en wat je over Jezus moet geloven. Fataal omdat het binnen het christendom een tegenstelling zou creëren tussen het kwetsbare, mystieke ervaren van de in- nerlijke Christus tegenover het leerstellig aanvaarden van dog- ma’s over Jezus zoals vastgelegd in het Credo. Het esoteri- sche, mystieke gewaarworden, het innerlijke beleven, zou het zelfs in het christendom gaan verliezen van het ‘gelovig vast- houden aan de ware leer’. ‘Vast geloven wat het Credo leert’ zou binnen het traditionele christendom een grote deugd wor- den. Een vaste geloofsovertuiging hebben, ook al heb je daar geen innerlijke beleving meer bij, zou steeds meer gewaar- deerd worden. En elke twijfel aan het Credo zou gewantrouwd worden als een verleiding van de duivel. Ze moesten ook vast geloven in de fysieke verrijzenis van Jezus. Dat zou de kern worden van het traditionele christelijk geloof. Ongeloofwaardig? Toen de kerkvader Tertullianus eens door de gnostische christenen voor de voeten geworpen werd hoe absurd het was hieraan vast te houden, was zijn be- roemd geworden antwoord: ‘Absurd? Ik geloof juist omdat het absurd is.’ (8) Wat hij bedoelde was: met een echte gelovige kun je niet meer in debat gaan. De toekomst van het geloof De vraag is of wij momenteel hieraan nog behoefte hebben? De bekende Amerikaanse theoloog, predikant en schrijver Harvey Cox ziet het anders. In zijn boek ‘The Future of Faith’ (9) be- schrijft hij de groeiende behoefte aan religieuze zingeving. Maar het is niet zonder meer ‘restauratie van het oude’. Cox onder- kent een terugtrekking uit de traditionele credo’s, de kansels en de hiërarchie. Er komt weer ruimte voor de eigen ervaring, intu- ïtieve duiding van christelijke symbolen en gelijkwaardigheid van interpretaties. Volgens Cox is dat ook niet vreemd. De christelijke wereld was immers vanaf het begin helemaal niet geïnteresseerd in concilies en geloofsbelijdenissen. Die zijn er door de keizers van die tijd doorgedrukt omdat hen dat goed uit- kwam. Het zou de eenheid in hun rijk ten goede komen. In genoemd boek maakt hij ook duidelijk dat het mis ging met het christelijk geloof toen de kerkelijke leiders begonnen met het ‘letterlijk interpreteren van symbolen’: ‘Dat letterlijk interpreteren maakt van het geloven iets gemakkelijks omdat je dan niet de confrontatie hoeft aan te gaan met je diepe in- nerlijke angsten die kunnen opkomen als je werkelijk met je diepere zelf wordt geconfronteerd. Maar het verhindert je ook om in echte openheid, verwondering en vreugde het mysterie van het leven te beleven.’ Als een ijkpunt voor een nieuwe spirituele impuls ziet hij het Evangelie van Thomas, dat samen met een aantal andere gnostische teksten in Nag Hammadi ontdekt is. Volgens Cox brengen deze teksten de oorspronkelijke inspiratie van de eer- ste volgelingen van Jezus weer dichtbij en dragen zij op een unieke wijze bij aan een nieuwe spirituele beweging die wereldwijd aan het opkomen is. Pasen 2014. Een nieuwe spirituele impuls? Dat wens ik ieder toe. >> 16 Reflectie 11(1), voorjaar 2014
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=