13(4)16
Reflectie jaargang 13nummer 4, winter 2016 15 Nu is het boeiende van deze tijd dat we kennis kunnen nemen van een schat van oosterse en westerse bronnen en tot de ontdekking kunnen komen dat de essentie in wezen gelijk is, ondanks een andere verwoording, ondanks een andere cultuur. Thuiskomen In zijn boek Gnostische wijsheid in Oost en West trekt Marcel Messing een groot aantal parallellen. Hij beklemtoont hier- mee de universaliteit van de gnosis. Zo verbindt hij de oosterse opvattingen over de tijdperken, zoals het Kali Yuga 1 , met westerse denkbeelden over de opeenvolging van wereldtijdperken, waarin nu het Aquariustijdperk actueel is. Uiteindelijk komt hij tot de slotsom ‘Oost, west, thuis best’: ‘ Waar alles in het leven werkelijk om gaat en waar- over alle grote godsdiensten en wijsheidsleringen spreken is: weer thuiskomen, bevrijding realiseren van het rad van weder- geboorte dat ons, gedreven door begeerten, steeds weer op- nieuw doet jagen naar schijngeluk, schijnvrede. Thuiskomen: dat is de kern van de wijsheid uit Oost enWest .’ Over dat thuiskomen schrijft ookHein Stufkens in zijn boek Weg van Gnosis: een reis naar huis . Een opvallend persoon- lijk boek waarin hij de gnostische ervaringen in enmet zichzelf beschrijft. Het boek gaat de diepte in en beant- woordt daarmee aan de zuiverste zin van de gnosis: zelf- kennis = godskennis. Op deze wijze wordt gnosis inder- daad een ‘reis naar huis’. Wat is dat: thuiskomen ? Het is het beleven van de totale een- heid van alles. Velen, ook en vooral indeze tijd, hebbendeze dimensie als in een soort flits heel evenmogen ervaren; een belevenis die een soort heimwee oproept naar een permanente staat van Zijn. Gnosis is het besef dat het existeren in de stoffelijke wereld en het totale Zijn niet hetzelfde betekenen. Veel mensen existeren in die zin dat ze leven (of geleefd worden ) in dema- teriële werkelijkheid en ervaren dit als het enig bestaande. De gnosticus beseft dat dezewerkelijkheidmaar een onder- deel, een flauwe afspiegeling van een oneindig kosmisch geheel is. Daaromnoemt de oosterling de stoffelijke toe- stand dan ook ‘ maya ’, illusie, begoocheling. Want de mens raakt begoocheld door ‘de dwaling van goud en zilver’ 2 van de materiële wereld en beseft niet dat hij tegelijkertijd in verbinding staat met krachten die dit alles in stand houden. Het is voor dit onzichtbare dat vele mensen bang zijn; al is die angst meestal onbewust aanwezig. De grote christelijke mysticus Valentinus schreef al bijna tweeduizend jaar geleden dat de duisternis van de angst verdwijnt als de zon opkomt en het verblindende licht alles zal doordringen. ‘ Niets is verborgen of het zal openbaar worden ,’ houdt Jezus zijn leerlingen voor. Daar is tijd voor nodig. Kritiek Met het introduceren van Jezus en de gnostische kijk op het christendombegint ook de kritiek de kop op te steken. Zo lang de gnosis alleen nogmaar gezien wordt als een historisch filosofisch verschijnsel kan zij in de ogen van velen weinig kwaad doen. Een voorbeeld hiervan is de hermetische gnosis die de laatste jaren sterk in de belang- stelling staat. Zodra de gnosis echter verbonden wordt met Jezus en het christendom, ondervindt zij weerstanden. Dat was al zo in de tijd van de vroege kerkvaders (tweede en derde eeuw) en het is eigenlijk nog steeds zo. Duidelijke voorbeelden hiervan zijn de ‘ waarschuwingsge- schriften ’ van prof. dr. J. Verkuyl 3 en ook het boek van drs. S. vanWersch, De gnostisch-occulte vloedgolf . 4 Maar ook vele recensies van boeken en artikelen over de gnosis zijn afwijzend gekleurd. Zo stelt dr. R. Kranenborg 5 naar aan- leiding van het gnosis-nummer van het tijdschrift Prana : ‘ Het is te betreuren dat er geen artikel is opgenomen over de vraag waaromde oude Kerk niet van de gnosis wilde weten; zij had daar gegronde redenen voor. Nu hebben we voornamelijk artikelen die voortdurend de oude Kerk als fanatiek en bekrom- pen voorstellen. Bovendien zien de voorstanders van gnosis er niet tegenop onjuiste uitspraken te doen. ’ Ireneüs van Lyon (circa 140–circa 202) is de eerste grote theoloog en kerkvader van de christelijke kerk na de periode van de apostelen. Tot de vondst van de Nag Ham- madi-geschriften gold Ireneüs als de belangrijkste bron van kennis over de door hem fel bestreden gnostiek door zijn werk aangeduidmet Adversus Haereses (vertaling: Tegen de ketters ). Het werk van Ireneüs gaat over de ‘Ontmaskering en omverwerping van de valselijk zoge- noemde gnosis ’. Maar dit raakt eigenlijk niet de kern van waar het over moet gaan. Angst voor de vrijheid Maar dit was niet de voornaamste angst van de kerkvaders. Nee, de kerkvaders waren bang voor de gnosis omdat deze hun gezag ondermijnde. Niet alleen hun persoonlijk gezag – sommigen van hen waren nog christelijk genoeg omdat voor lief te nemen – maar het gezag van de jonge Kerk. Gnosis is het bevrijdende inzicht. Dat wisten vele christe- nen toen en dat kunnen we nu weten uit de teksten terug- gevonden bij Nag Hammadi in 1945 – het ‘opstaan uit een diepe slaap’. Wie inzicht heeft, wie wakker geworden is, wie tot bewust- zijn gekomen is, die heeft geen bisschop, paus of dominee meer nodig omhem voor te schrijven wat hij moet doen. Zelfs de uiterlijke wetten zijn voor hem franje geworden, omdat de ziel de innerlijke wetten, het innerlijke weten, in zich draagt. Jezus is daar in vele geschriften volstrekt duidelijk over. En in de zeer wettische maatschappij waarin Jezus leefde stuitte dit op groot verzet, zoals we in de bijbelse geschrif- ten kunnen lezen (o.a. Matt. 12:9-12 en Joh. 9:16). Ook de leerlingen, doorkneed in het wettische (materiële) denken, Over de auteur Christiaan de Moraaz Imans (1944) is priester van de VKK-kerkgemeente Utrecht. Christiaan is werkzaamgeweest als IT-er in de bankenwereld, zowel nationaal als internationaal. Hij is per heden nog steeds werkzaam voor het Nationaal Ouderenfonds.
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=