14(1)17

Portret van Eckhart von Hochheim of ‘Meister Eckhart’ (1260–1328) Reflectie jaargang 14nummer 1, voorjaar 2017 14 Ik weet nog zo helder dat ik Bart, de liefde vanmijn leven, met wie ik 51 jaar getrouwd was, naar een huis voor de- menterendenmoest brengen en dat ik dezelfde middag te horen kreeg dat ik geopereerdmoest worden omdat er borstkanker was geconstateerd, gelukkig in een vroeg stadium. Het was zo intens dat ik alleenmaar zei: ‘ Dat leg ik op het altaar neer .’ Ik bedoelde daarmee: dat ik het helpen overliet aan iets dat mijn vermogen te boven ging, omdat ik niets anders kon doen dan het leven zich aanmij te laten voltrekken. Volledig vertrouwen Ook nu weer is dit een flintertje van wat Etty moest door- maken, alleenmijn vertrouwen is hetzelfde vertrouwen als dat van Etty. Daarom raakt ze me ook zo intens. Als je de diepste dalen om je heen gaat zien, dan is het een grote zegen als je je zo kunt verbindenmet God. Het is dan ook niet uit te leggen waaromGod er voor mij ook altijd is en me draagt. God is dan ook niet in woorden of beelden uit te leggen, maar wel in de ervaring. Waarom raakt het de één wel en de ander niet? Het lijkt wel een aanleg die je altijdmet je meeneemt en die er altijd is. Een ervaring die je ooit geraakt heeft en waar je eigen- lijk altijd over wilt spreken. Zo is het ookmet Etty gegaan. Ze werd als het ware verliefd op de ervaring die ze voelde en blééf voelen. Het was haar grootste schat en vanuit die schat zag ze de wereld door andere ogen. Haar bevlogen- heid werd gevoeld, liet zich voelen. Het was een weg om haar totaal te ontsluiten en haar helemaal bij God, haar bron, te brengen. Haar God, in haarzelf, het is de schepping die in haar hart rust, het is de grote oneindige ruimte die ze met zich meedraagt. Een plek, zoals in de Tao staat, ‘ waar hemel en aarde verstrengeld zijn en door elkaar vloeien. ’ Het is een weg zonder waarom, van doen wat er gedaanmoet worden. Het goddelijke te zoeken zonder het te benoemen, zelfs zonder het te verlangen. Laat het gebeuren. We zijn vaak vergeten hoe sterk de dingen samenhangen. De weg naar het wezenlijke Meister Eckhart, de grotemiddeleeuwsemysticus, beschrijft deweg naar het wezenlijke, als eenweg, zonder niet, zonder waarom, doen wat gedaanmoet worden. Hij noemt dat leegmaken, loslaten, vrij worden. Het is de concentratie in de leegte, om te vinden wat je altijd al bezat. In het boed- dhisme gaat het om andere woorden, maar in feite om dezelfde inhoud. Ook in die begrippenwereld gaat het om niet-doen, ‘ woe wei ’, om concentratie op de Leegte, om te vinden wat je altijd al bezat. Etty heeft het af en toe over haar boeddhistisch kwartiertje of over gehurkt zitten als een boeddha en ookmet een glim- lach. Ze hecht steeds meer aan haar innerlijke ruimte van stilte. ‘ Een zaal van stilte, die er inme is ,’ zal ze zeggen. Ze schrijft dat dat ruimtegevoel in haar steeds sterker wordt: ‘ Alsof er binneninme oneindige vlaktes liggen uitgebreid en ik beweeg me voort over ze. ’ Op 14 juli 1942 schrijft ze: ‘ Als ze wisten hoe ik voelde en dacht, zouden velenmij een werkelijkheidsvreemde dwaas noemen, maar toch leef ik met alle werkelijkheden die een dag brengt. ’ Wat ze schrijft en doet, gaat in tegen de orde, tegen de algemene gedachtengang. Ze verzet zich niet meer, ze keert in, ze schept een innerlijke wereld naast de werke- lijke wereld. En ze wacht, ze wacht af, ze aanvaardt, ze geeft zich over, ze luistert en is geduldig, doet wat gedaan moet worden. Etty leeft ons vanuit haar dagboeken voor, hoe ze stukje bij beetje, met vallen en opstaan, haar eigen ongebondenheid, haar eigen vrijheid, haar eigen niets- doen, haar eigen er-zijn, weet te verwerkelijken. Steeds lees je hoe ze haar ervaringen toetst, ze legt ze aan de voeten van haar God, als ze in de badkamer op de harde mat knielt. Alles opent zich voor haar, nieuwe vergezichten. Alles schept de mogelijkheid om te ervaren en te leren, te zijn, onvoorwaardelijk, ongebonden, vrij. In alle dingen de tao We zien in haar dagboeken dat ze houdt van discussies en debatten, waarinde vraagbelangrijker is danhet antwoord, net zoals zoveel Joden dit nog altijd doen in het joods leer- huis. Niets is zeker voor haar, behalve haar innerlijke hemel en daar kan niemand aankomen. Al het andere is bijzaak, het leven is voor haar om te toetsen, te ervaren, te leren en om er kleur aan te geven, steeds weer anders. Haar grote vrijheid, die absolute leegte, die hemel in haarzelf kan ze immers niet beschrijven of onder woorden brengen. Dat is ook joods, want de naam van G’dmag niet worden uitge- sproken dan wel neergeschreven. Dat is ook Tao: ‘ de Tao, waarover gesproken kan worden is niet deware Tao. De naam, diemen eraan geeft, is niet deware naam .’ [Omschrijving uit de Tao Teh Khing.] Het is boeiend om te zien dat één van haar favorieten uit de laatste maanden van haar dagboek Augustinus is. Deze schrijft: ‘ Dat wanneer met spreekt over God, zich daarbij een beeld vormt, dat nooit correspondeert met wat God werkelijk is .’ OokMeister Eckhart schrijft dat ‘ alles wat men over God kan zeggen niet waar is .’ De hemel in haarzelf is ook niet iets, is een grote lege ruimte, grenzeloos groot en tegelijkertijd atoomklein... Zelf is men het kleine centrum, waar bin- nen- en buitenwereld elkaar ontmoeten. ‘ De beide werelden worden door elkaar gevoed. Menmag de ene niet verwaarlozen ten koste van de andere, de ene niet belangrijker vinden dan de andere, anders verarmt men de persoonlijkheid ,’ zo zal ze dit zeggen. Ook al leven we nu in een heel andere wereld, de waarden van die diepe gedachten kunnen voedend ookmet ons meegedragen worden. Op het moment dat de werkelijke natuur haar door de anti-Joodse maatregelen ontnomen wordt, schrijft ze: ‘ Menmoet de natuur in zichmeedragen, men kan haar beleven aan een bloem, aan een wolk, aan een gevoel in het eigen bloed .’ Je kunt niet altijd naar de dingen

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=