14(1)17

Reflectie jaargang 14nummer 1, voorjaar 2017 15 toegaan, daarvanmoet men zich ook niet afhankelijk maken. Zo schrijft ze dat haar innerlijke ruimte steeds meer omvatten kan en dat de vele tegenstrijdigheden elkaar niet meer het leven benemen. ‘ Want inmijn innerlijk rijk heerst vrede ,’ zal ze zeggen. De weg naar God in een duister wordende wereld Als de dreiging steeds groter wordt, raakt ook haar inner- lijke hemel verduisterd, maar ze ziet het als een plicht, bijna als een daad van verzet, om tegen alle verdrukking in zich te blijven verdiepen, te verinnerlijken. Etty ervaart een hoopmensen als gehalveerd of verminkt, omdat die hun binnenwereld niet voldoende erkennen. Die binnen- wereld is bij hen een braakliggend, onontgonnen terrein, waar ze niet de moeite voor nemen om aan te werken. Ik voel dan een soort neiging inme opkomen om aan het ontginnen te slaan en orde te scheppen en bewust te maken. Misschien dat dit toch op den duur mijn leven en mijn werk zal worden? Ze schrijft: ‘ Menmoet de weg voor jou in de ander en inmij vrijmaken, mijn God, en daarvoor moet men een groot kenner van het menselijk gemoed zijn, een geschoold psycholoog moet men zijn, verhoudingen kennen tot vader enmoeder, jeugd­ herinneringen, dromen, schuldgevoelens, minderwaardig- heidsgevoelens .’ Vanaf het begin van Etty’s geschriften lezen we dat Etty boven het alledaagse probeert uit te stijgen, verlangend naar een paradijs, naar eenmoment van eeuwigheid. Ze wil het rusteloze, onbevredigende bestaan ontstijgen en is op zoek naar een plek in de ziel, waar ze zich geliefd weet en opgenomen door God. Dat ruimtegevoel wordt steeds sterker in haar, zo wordt ze steeds meer zichzelf. Ze toetst haar levenslessen aan haar partner Spier, en ze leest de boeken van Rilke, Jung, Augustinus. Ook ik las altijd heel veel, mijn leermeesters opmijn weg, ook nu vraag ik: is dit te herkennen? Na zo veel lezen zegt Etty: ‘ Ik zou soms niet meer willen weten, geen kennis meer willen bezitten, maar alleenmaar willen zijn , gewoonmaar vol van leven zijn en een beetje goedheid .’ Geniet ik daaromook zo in die nieuwe wereld waar ik iedere dag ben, waar kennis weg is, maar waar liefde en verbondenheid te voelen is met mijn Bart. Lieve Etty, wat kunnen we van je leren? Herkennen we dat we net zoals Etty steeds opnieuw aan onze eigen God moeten bouwen? Ook Etty moet die God als het ware uit haarzelf opgraven. Zo is ze zelf éénmet God, omdat hij in haar ruimte verblijft, de hemel is dan in haarzelf. Dezelfde woorden las ze in de teksten van Rilke. Haar binnenwereld is voor haar even reëel als haar buitenwereld. Ookdat herken ik. Ze schrijft: ‘ In iedereen die totmij komt, begin ik een behoed- zame, zoekende tocht .’ Door naar onszelf te kijken kunnen we steeds meer zien van onszelf en daaraan gaan werken, het is een diepe concentratie-oefening. Voor mij is het mediteren, het komen in het niet-denken, een oefening die me intens sterkt en die ik iedere dag wil doen en doe. Voorbij woorden en taal Etty vindt zelf dat ze in haar woorden en taalgebruik nog tekortschiet en ze roept de hulp in van de schrijver Rilke omhaar gedachten en gevoelens onder woorden te bren- gen. Haar verlangen gaat steeds meer uit naar een schrijf- stijl die aan de kant van de woordloosheid staat. Etty neemt het universumwaar als één geïntegreerd geheel. Vanuit ervaring weet ze dat alles op de een of andere wijze samenhangt, dat alles in oorsprong één is en dat er een andere werkelijkheid bestaat, waarvan ze voor- dien geen weet had... Op 9 augustus schrijft ze hier al over: ‘ In die eenzaamheid voel ik me juist heel sterk en zeker, dan voel ik me verbonden met iedereen en alles enmet God en weet ik dat het leven alleen aankan en niet vanmensen afhankelijk ben. Dan voel ik mezelf ingeschakeld in één groot zinrijk geheel en voel ik dat ik nog veel krachten aan anderen kan geven .’ InWesterbork leeft ze het onleefbare en ze zou het onbeschrijfelijke willen beschrijven. In een brief eind november 1942 schrijft ze over haar bezigheden, de plaatsen waar ze rust zoekt om te kunnen schrijven, de aankomst van Joden uit andere kampen. Als Etty nogmaar enkele maanden te leven heeft, fantaseert ze over de sprookjes en gedichten die ze zou kunnen schrijven. Tussenkopje Ik sluit af met een stukje uit haar brief die ze vanuit Wester- bork schrijft: ‘ Je hebt me zo rijk gemaakt, mijn God, laat me ook met volle handenmogen uitdelen. Mijn leven is geworden tot één grote samenspraak. Wanneer ik sta, in een hoekje van het kamp, mijn voeten geplant op jouw aarde, het gezicht verheven naar jouw hemel, dan lopenme soms de tranen over het gezicht, geboren uit een innerlijke bewogenheid en dankbaarheid, die zich een uitweg zoekt. Ook ’s avonds, wanneer ik inmijn bed lig en rust in jou, mijn God, lopenme soms de dankbaarheidstranen over het gezicht en dat is danmijn gebed .’ Etty’s woorden hebbenme weer intens geraakt. Als ik dan naar mijn leven kijk, dan is er altijd eenmoment dat de sluier opgelicht kan worden. Pas als je hart die trilling gaat voelen, zal dezelfde kracht door veel meer stukken van je leven voelbaar zijn en dan is er die alles overstijgende eenheid die ons door alle tijden heen verbindt, met elkaar enmet Etty. ▪ Etty Hillesum [rechts] met haar vriendin Rose Hamburger [links] in Groningen in 1931; Etty is 19 jaar en er is nog geen oorlog in zicht.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=