14(1)17
Reflectie jaargang 14nummer 1, voorjaar 2017 26 Als wij proberen hem in die periode als mens te zien en als mens te beoordelen, dan blijkt dat alle mensen voor hem gelijk zijn, of het nu zijn beulen zijn of zijn discipelen. Hij had zijn kring van getrouwen, zijn vertrouwelingen. Zij stonden hemna, maar niet nader dan een ander; ieder- een stond hemna! Tegenover alles en iedereen namhij een strikte objectiviteit in acht. Hij was volkomen eerlijk en rechtvaardig. Zijn uitspraken en daden stonden los van persoonlijke verlangens. Wat hij gaf waren waarheden, geenmeningen. Een waarachtige spreekbuis van God was deze onbevangenprediker, wienswoorden een onontkoom- bare overtuigingskracht bezaten. Ongehechtheid Met dezelfde gelijkmoedigheid aanvaardde Hij zijn lijden. Met een onpersoonlijke ongehechtheid, alsof het hemper- soonlijk niet aanging. Wat ze hem aandeden, deden ze zichzelf aan. Met zijn Goddelijke aardmoet hij in staat zijn geweest aan zijn lot te ontsnappen of minstens zijn lijden te verzachten. Maar hij wist dat daarmee zijnmissie mislukt zou zijn. De verzoekingen hadden immers bewezen dat hij weerstand kon bieden aan elke zwakte, hoe gering ook. Hij liet met zich doen, wat de mensenmeenden dat ze moesten doen. Hij onderging pijn en vernedering en hij wilde deze onder- gaan, ook al had hij de pijn gemakkelijk kunnen overwin- nen. Hij wilde deze zelf helemaal lijden, tot het volbracht zou zijn. Hij wilde de beker tot op de bodem ledigen en ten- slotte bad hij vol deernis enmedelijden voor zijn kwelgees- ten: ‘ Vader, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen. ’ In latere eeuwen (tot op heden toe!) was er een grotemenig- te die geloofde wat in het Nieuwe Testament is overgele- verd. Zij namen aan dat het allemaal ongeveer zo is gegaan als de evangelisten en Paulus geschreven hebben. Een eenvoudige rondtrekkend profeet, die zich ontpopte als de Wereldleraar. Voor heel veel mensen is hij geworden tot een belofte: Hij is de hoop op redding. Hij is het levensdoel en de vervulling. Hij is eigenlijk Alles. Hij is voor mij de mens, die veel verder ging dan Boeddha. Boeddha wees de weg, Christus ging de weg. Boeddha onderwees de Vier EdeleWaarheden, uitmondend in het Achtvoudig Pad, dat het praktisch bewandelen van de weg naar het ophouden van het lijden behelsde. Maar Christus onderging zelf het lijden omdaardoor de mensen te verlichten. Verlossing Christus was de verlosser, belichaamd in Jezus. ‘ Wie zal mij verlossen uit het lichaamdezes doods? ’ riep Paulus in zijn Romeinenbrief. ‘ Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn ,’ zegt Johannes (Joh. 8-36). Dezelfde evangelist zegt elders (Joh. 1:8): ‘ Het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden .’ Het lichaam is een bron van verkeerdheden. Wanneer wij daarvan verlost worden, worden we van het lichaam verlost en leven eeuwig in Christus. Wat schuilt er achter deze woorden? Jezus werd geboren in het Joodse volk, dat zich uitverkoren volk noemde op grond van een oeroude traditie, die teruggaat tot in de Atlantische tijden, dat wil zeggen: de tijden van vóór de zondvloed. Volgens een esoterische traditie vormden de Semieten (Joden) het hoogtepunt van beschaving in de toenmalig cultuur. De mensheid van de Atlantische tijd leefden vanuit de gevoelens. Zij kon nog niet denken. Pas in de Semieten werd de kiemgelegd om te leren denken. De Semieten van Atlantis waren volgens de overleving de eerste mensen die boven hun krachtige en rijk gescha keerde gevoelsleven het vermogen tot eenvoudige denken begonnen te ontwikkelen. Met de correctie van het denken remden zij de ongebreidelde ontwikkeling van het gevoels- leven af. Hetgeen niet verhinderde dat bij de Atlantische massa de gevoelens verstarden tot hartstochten, die de Atlantische beschaving ten einde voerden. Pas in het volgende grote tijdperk, dat na de zondvloed tot ontwikkeling komt en dat het beginmarkeert van de ons bekende geschiedenis, moeten de mensen leren leven vanuit het denkvermogen. Het denken zou hen voeren tot verstand en beredenerende kennis. Maar zonder correctie zou het hen tevens doen doorhollen naar een situatie, waarin er zo’n verschil tussen gevoel en verstand zou ontstaan, dat de massa der mensen tot gevoelsarme intel- lecten zou zijn uitgegroeid. Die correctie nu, zou opnieuw vanuit de Joodse Semieten gegeven worden. In de Grieken waren verstand en gevoel redelijk in evenwicht. Bij de Romeinen begon de scheefgroei al te leiden tot verstarring, die we in het religieuze taalgebruik ‘ zonde ’ zijn gaan noe- men. Een onbelemmerde verdere ontwikkeling van het denken zou zeker de ondergang van het menselijk ras hebben ingeluid. De mens zou dan verworden zijn tot een verstandelijke robot, niet meer in staat tot het geven van warmte en liefde, maar alleenmaar tot het handelen vanuit het kille verstand. De redding van deze tot ondergang voerende ontwikkeling kwamvanuit de hoogsteHemelen, waar de Tweede Persoon van de Drie-eenheid koos voor een incarnatie onder de mensen. Christus, het onvergankelijke Liefdeswezen, ver- scheen op Aarde in de persoon van Jezus en werkte daar drie jaar heel intensief aan de redding van de mensen. Geloof Het is interessant omde werkwijze van de Christus na te gaan. In zijn verzamelde uitspraken als de Zaligsprekingen en de Bergrede doet de Christus een beroep op de hogere begrips- en de hogere gevoelsaard. In zijnmens-zijn als Jezus vraagt hij om geloof . Geloof nu is het sleutelwoord in de ontwikkeling, die de harmonie tussen geloof en verstand zal herstellen. Door het geloof wordt het gevoelsleven van de mens versterkt. Geloof is een gemoedsaandoening, een emotie. Het heeft zijn basis in het gevoelsleven. Wat men gelooft is met het verstand niet te begrijpen. Nu kan de mens kiezen: hij kan geloven of hij kan verstandelijk begrijpen eisen. In het eerste geval werkt hij aan de inte- gratie van zijn gevoels- en verstandsaard. In het laatste geval werkt hij aan een scheiding. Christus deed voortdurend een beroep op het geloof, op de gevoelsaard, want wat hij zei en deed ging alle verstand te boven. Na zijn verdwijnen van het toneel der historie bleef hij voortbestaan als mythe. Daaraan kon alleen realiteit worden gegeven door het geloof. Tweeduizend jaar lang heeft hij nu al ingewerkt op de menselijke gevoelsaard. Op het geheel van de evolutietijdperken zijn tweeduizend jaar minder dan een seconde. In die tijd is de gevoelsaard zodanig versterkt dat het denk- vermogen veel prijs heeft moeten geven. Er is uitzicht op de integratie van beide wezensniveaus. Uit deze integratie moet een nieuwmenselijk vermogen ontstaan: de intuïtie, die nu al inmindere of meerdere mate tot ontwikkeling komt. Door Christus’ ingrijpen op Aarde is de kern van de intuïtie in de mens gelegd. Daarin is zijn verdere ontplooi- ing gegarandeerd. Voor de huidige mensheid bestaat er dus nog altijd hoop op redding, voortvloeiende uit geloof in en vertrouwen op Christus. ▪ Einde van deel 1 van dit artikel. Het artikel wordt vervolgd in het komende zomernummer van Reflectie .
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=