14(2)17
Reflectie jaargang 14 nummer 2, zomer 2017 15 Het vertrek der joden en het ontstaan van kerken Na de val van de Tempel in ongeveer 70 na Chr. werden de joden, en zeker de hoogsten in rang, geweerd uit Jeruzalem, en er begon een geleidelijke uittocht, voor een deel langs de oevers van de Middellandse Zee richting Griekenland (waar al veel joden verbleven) en verder naar Italië, Rome, en voor een deel langs de zuidelijke oever van die zee, richting Egypte, waar ook al veel joden woonden, vooral in Alexandrië. Maar dat waren ook toen nog allemaal gewoon joden. Nu was het wel zo dat de joodse boeken al vóór het begin van de jaartelling in het Grieks vertaald waren, waar- door er toch wat verandering in de betekenis kwam omdat een aantal Hebreeuwse woorden en begrippen niet goed in het Grieks vertaald konden worden en ook omdat er meer Griekse joden waren die het Hebreeuws, laat staan het Aramees, niet machtig waren. Ditzelfde gebeurde aan de Noord-Afrikaanse kant. Daar werden die boeken in het koptisch geschreven. Dat betekent: in de Egyptische taal, maar geschreven met Romeinse lettertekens. Het Egyptisch kende in die tijd alleen nog maar een soort beeldschrift. De basis in deze beginfase bevatte alleen de geloofs belijdenis dat deze Jezus Christus de Messias was, zoals dit werd bezegeld met de doop in zijn naam en door de eucharistie in zijn gedachtenis. Zo ontstond al heel vroeg het fenomeen kerk . In de Germaanse talen: kerk , Kirche , church , afgeleid van het Griekse woord ‘ kyriakè ’ ( dat wat toebehoort aan de heer of ‘ kyrios ’). Hiermee wordt het huis of de gemeente van de Heer bedoeld. In de Romaanse talen werd het andere Griekse woord ekklesia gebruikt: iglesia , église . Daardoor kwam het woord ekklesia , resp. het Hebreeuwse woord ‘ kahál ’, dat verzameling of vergadering betekent, terecht in het Nieuwe Testament. Dit concept ‘kerk’ betekende niet een getrapte organi- satie van geestelijken of functionarissen, maar meer een groep die op bepaalde tijden en plaatsen bij elkaar kwam. Daar verkondigde men het evangelie, verrichtte men de doop als inwijdingsritueel, en het avondmaal als dankbaar gedenken. Ook deed men veel aan goede werken; vooral ook binnen de eigen groep. Maar allen waren nog steeds jood, totdat na de verwoesting van de Tempel eigenlijk alle joden wegtrokken uit Jeruzalem. De splitsing der geesten Er ontstond wel langzaam een soort tweedracht omdat Paulus de ‘ heidenen ’, dus de Grieken en/of Romeinen die wilden meedoen, niet verplichtte de joodse reinigings- en spijswetten na te leven en ook de besnijdenis was voor hen niet noodzakelijk. Jacobus, die het hoofd van de beweging in Jeruzalem was, was een wijs man en ging niet in tegen Paulus, wat Petrus eerst wel deed. Petrus was eerst de zegsman van de discipelen, maar hij verhield zich niet goed met de vrouwen. Petrus werd wel de leider van de joodse leden van de groep. Overigens is nergens bekend dat Petrus de eerste bisschop van Rome was. Waarschijnlijk is hij daar wel gedood, maar ook daar is niets van beschreven en er is ook geen graf van hem gevonden. Waarschijnlijk was ene Linus de eerste bisschop van Rome. Door de andere benadering van de ‘ heidenen ’ door Paulus groeide de Jezus-beweging wel snel. Deze ‘ oergemeente ’ bestond uit apostelen, mensen die Jezus gekend had- den, profeten en profetessen, evangelisten en hulp- krachten en gewone volgelingen. Er waren veel vrouwen onder deze volgelingen; bijna allen waren getrouwd. En de bijeenkomsten vonden ook voornamelijk plaats in de huizen van die vrouwen. Ook ontstond er onenigheid over de vraag wie het belang- rijkste was (zie Lucas 22:26, waarin gezegd wordt: de leiders moeten dienaren worden ). Het woord priester werd niet gebruikt. Wel het woord presbyter , dat betekent ‘ oudste ’. Men kende bisschoppen, diakens en oudsten. Oudsten stonden ook altijd al aan het hoofd van een joodse gemeente en het waren ook de oudsten in de Jezus-beweging die de hand oplegden waarmee aan een bepaald lid van de gemeente de plechtige volmacht werd gegeven tot het verrichten van bepaalde diensten. De hoofdlocatie in de beginjaren (tot na de verwoesting van de Tempel in de jaren 70 na Chr.) was zeker niet Rome maar Jeruzalem. De basis bestond uit de geboren joden, of ze nu Aramees spraken of Grieks. Het was een beweging van de lagere klasse, er waren veel vrouwen onder hen. Verlangd werd innerlijke vrij- heid en vrijgevigheid. De christelijke oergemeenten wilden zich niet van de joodse gemeente of joodse natie losmaken, maar hechtten eraan deze te integre- ren. Men hield vast aan de heilige geschriften. Ook bezocht men de Tempel, bad de psalmen en eerbiedig- de de Mozaïsche rituele wetgeving ( halacha ) met name besnijdenis, sabbat en de spijs- en reinheidsvoorschrif- ten. Maar men hield ook vast aan het geloof in Jezus, de Messias. (Grieks: christos , gezalfde). Men hoorde zicht- baar tot de geloofsgemeenschap als men zich in Jezus’ naam liet dopen en ter herinnering aan hem deelnam aan het avondmaal. Schriftlezing in de synagoge , schilderij van James Tissot (1836–1902)
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=