14(4)17
7 Reflectie jaargang ı4 num mer 4, winter 20ı7 complete werkelijkheid waarin allen terecht kunnen komen die door God naar de vereniging met Hem worden geleid. Eigenlijk is Johannes van het Kruis heel eigentijds als hij zegt dat we allerlei ‘eigengemaakte godsbeelden’ moeten loslaten; want eeuwen later zou Krishnamurti hetzelfde zeggen. In die donkere nacht is het frustrerend te merken dat de tot nu toe o zo ver- trouwde religieuze vormen en godsbeelden wankelen, zoals ook Karel Wellinghoff dat ervoer. Bij Johannes van het Kruis is God zelf ook ‘nacht’ voor de mens, omdat de ogen van een mens Hem als ver- blindend licht niet kunnen vatten. Het is daarom dat hij het schouwen in de nacht gelijkstelt met de nacht. Niet slechts een bepaalde fase van het leven, maar het hele leven van de schouwende mens staat in het teken van de pikdonkere nacht. Wie die passieve, door God be- werkte, nacht aanvaardt – dus loslaat wat hem is ont- nomen – kan op wondere wijze in die nacht de vereni- ging met God ondervinden. De nacht van de zinnen (de nacht van het ego?) hoort bij de fase van de ‘beginners’, de nacht van de geest bij die van de ‘gevorderden’. En het is die laatste nacht die de eigenlijke nacht is, waarin de loutering van het gebied van de zinnen wordt hernomen en op een dieper niveau wordt voltooid. Opmerkelijk bij Johannes van het Kruis is ook het begrip ‘doorheen gaan’. Je gaat ergens doorheen en er wordt mee bedoeld dat het gaat om een vrij lang proces en geen new-age stoomcursus, waarin je (vaak tegen betaling van veel geld) in een vrij korte tijd verlicht kunt wor- den. Het gaat hier om een proces van veel pijn en moei- te, waarin ‘de oude mens’, zoals hij dat noemt, sterft en waarna de vereniging met God kan plaatsvinden. Door dit vage innerlijke kompas vervallen we niet tot wanhoop, houden we het uit, komen we er doorheen, maar wel met een totaal nieuwe besef of ‘niet-besef’ van God. Tot God bidden om van God bevrijd te worden Ik citeer in dit verband uit een interview in Trouw met John Caputo, schrijver van ‘ Hopeloos hoopvol ’: ³ ‘ Laten we tot God bidden om ons van God te bevrijden .’ Dat is volgens de Rheinlandse mysticus Meister Eck- hart het hoogste gebed. God kwijtraken om God werke- lijk te kunnen vinden in deze wereld, weer te kunnen bidden, liefhebben en het goede te doen. Dat betekent dus niet dat je God in de prullenbak gooit omdat zoveel van het geloof zoals de kerk het presenteert, simpelweg ongeloofwaardig is geworden. Het betekent dat je het riskante en het kostbare van het geloof hoog hebt zitten. Zeker, dan raak je dingen kwijt. Bepaalde dingen over God en de wereld en de toekomst die je voor vast en zeker hield: een hemel... Gods voorzienigheid. Niet alleen is God niet het superwezen op een wolk. God is ook niet een soort grond van de werkelijkheid die garan- deert dat de dingen goedkomen. God is eerder een struc- tuur van verlangen in deze werkelijkheid. We verlangen naar iets dat nooit bevredigd wordt door enig object in de wereld. Geloven, hopen, liefhebben: ik hou van die woorden. Ze duiden allemaal op een diepe structuur van verwach- ting en openheid voor wat komt. Dat is het wat ons leven zin en betekenis geeft. God is de stem die een voortdurend beroep op ons doet, die ons uit onszelf roept. God is de naam van ‘mogelijkheid’, de naam die het onvoorstelbare representeert. Een religie zonder religie, Caputo is er al jaren naar op zoek, zoals blijkt uit zijn in het najaar verschenen opmerkelijke boek Hopeloos hoopvol . ³ Maar niet eerder beschreef hij dit zo persoonlijk en doorleefd als in dit boek. Hij noemt het ‘de religie van de roos’. Het is een religie waarin hij met Meister Eckhart bidt of God ons 'wil bevrijden van God'. Religie en beelden van God zijn al gauw obstakels. Ze belemmeren ons om door te drin- gen tot het hart van religie. Mystici als Meister Eckhart en Johannes van het Kruis hadden ook al niet veel op met die godsbeelden. Afsluiting Deze bezinning op onze godsbeelden, op nacht en leegte, lijkt steeds meer een thema te zijn bij filosofen, schrijvers en theologen. Zo ook Kick Bras in zijn schitterend vorm- gegeven en tekstueel mooie boek ‘ Oog in oog; christelijke mystiek in woord en beeld ’ (zie het artikel en de recensie el- ders in Reflectie ). 4 In zijn epiloog gaat Bras verder in op mystiek in de een- entwintigste eeuw en vraagt zich af of de mystiek de leegte kan opvullen die is ontstaan door de verschrom- peling van kerkelijke instituten en de verdamping van christelijke dogma’s. ‘ Wanneer wij met Jawlensky naar binnen kijken, dan zien wij de nacht. De oorzaken daarvan zijn vele. We hebben er enkele geschetst. Welke betekenis religie en in het bijzonder mystiek kan spelen bij het doorstaan van deze nacht en het vinden van licht is vooralsnog onduidelijk .’ Waarbij hij de kanttekening plaatst dat ook in het hart van de mystiek de nacht heerst, waarbij hij verwijst naar de ‘donkere nacht’ van Johannes van het Kruis. ‘ De mystieke beelden in dit boek brengen ons bij nader inzien niet oog in oog met een overweldigend licht, maar zijn vaak (om met Paulus te spreken) wazige spiegels .’ ● Noten 1 Wim Jansen: Zingen aan de Styx . Skandalon, 2017. 2 Christian Wiman: Mijn heldere afgrond; overpeinzingen van een moderne gelovige. Skandalon, 2017. 3 John Caputo: Hopeloos hoopvol; belijdenissen van een post- moderne pelgrim . Skandalon, 2017. 4 Kick Bras: Oog in Oog; christelijke mystiek in woord en beeld. Skandalon, 2017. Bij de rivier [gedicht van Wim Jansen] Straks, aan het einde van de weg, bij de rivier maak ik mij los uit wie ik was laat ik mij achter op de oever en verdwijn en op het stille water daalt een weldaad.
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=