15(1)18

 Schilderij Komposition VI [Compositie VI] uit 1913  Schilderij Fuge [Fuga] uit 1910 Reflectie jaargang ı5 nummer 1, voorjaar 20ı8 12 een goede Nederlandse vertaling verscheen, bracht in een groot aantal platen de astrale werkelijkheid in beeld. Aan het eind van dit boek is het artikel ‘ Gedachtenvormen ’ van Annie Besant toegevoegd. Een echo daarvan is nog te horen in de uitspraak van Kandinsky: ‘ Gedachte ... al- hoewel een voortbrengsel van de geest, kan zij wetenschappe- lijk omschreven worden als materie, maar dan van fijne en niet grove samenstelling .’ 2 De wereld zo bezien was voor hem een impuls om deze ijlere wereld van materie, waarin gevoelens en gedachten vorm hebben, in zijn schilde- rijen tot uitdrukking te brengen. Misschien was dit im- mers wel ‘de werkelijke wereld’ zoals Helena Blavatsky in haar ‘ Geheime Leer ’ had geschreven: ‘ Het universum wordt bewerkt en geleid van binnen naar buiten .’ De wetenschappelijke wereld van die tijd leek ook aan te geven dat materie verschillende lagen kende. Weten- schappers ontdekten hoe de objectieve werkelijkheid, zoals wij die zien, een illusie is omdat die in werkelijkheid bestaat uit een enorme lege ruimte waarin atomen rondtollen. Toen ook nog ontdekt werd dat zelfs atomen nog te splitsen waren in elektronen viel voor velen de grond onder hun voeten weg. Kandinsky: ‘ Voor mijn ziel was de vernietiging van het atoom gelijk aan de vernietiging van de wereld. Alles werd onzeker, wankelde en werd zacht. Het zou me niet hebben verbaasd als een steen vlak voor me in de lucht was opgelost en onzichtbaar geworden .’ 2 Veel van bovenstaande gedachten komen terug in het boek ‘ Über das Geistige in der Kunst ’. 2 Het boek vormt de neerslag van intensief zoeken naar nieuwe wegen in de kunst en Kandinsky toont in dit boek aan naast schilder ook schrijver en denker te zijn. Het boek – dat binnen een jaar drie drukken beleefde – heeft een grote invloed gehad, zowel op tijdgenoten van Kandinsky als op latere generaties kunstenaars. Het werd een gids in een tot dan toe in het Westen onbekend gebied van de verschillen- de niveaus waarop wij bestaan. Niveaus van bestaan Kandinsky maakte na het publiceren van dit boek ook als schilder een diepgaande evolutie door. Het lijkt een natuurlijke evolutie van verschillende niveaus van bestaan, die ook te herkennen zijn in de theosofie. Als je kijkt naar de werken die hij maakte vóór 1910 dan ont- dek je nog de fysieke objectieve wereld, die hij op sym- bolische of impressionistische manier uitdrukt. Vanaf 1910 worden zijn schilderingen meer emotioneel gekleurde, abstracte ‘ improvisaties ’ die een spontane expressie zijn van zijn innerlijk leven en uitvoerig be- werkte ‘composities’ die hij herhaaldelijk overschildert en waarin hij voorwerpen ‘gesluierd’ weergeeft, van hun objectiviteit ‘ontbloot’. Vervolgens, vanaf 1920, in zijn Bauhaus -periode, schildert hij mentale, geometrische werken om vanaf 1930 te eindigen met unieke intuïtieve, ‘ biomorfe ’ schilderijen. Kandinsky lijkt elke tien jaar sprongen in zijn ontwikke- ling te maken. Daarbij vormden de in de jaren 1910–1914 geschilderde ‘ composities ’ een uitermate belangrijke stap in zijn ontwikkeling. Onderwerpen die hij tot dan toe in symbolische vormen uitdrukte werpen hun bekleding af en krijgen een abstracte uitdrukking. Hij steunde mini- maal op herkenbare vormen en probeerde met nieuwe vormpatronen, lijnen en kleuren beelden te creëren van ongeziene gebeurtenissen in de astrale wereld. Het bleek een onvermijdelijk proces. De vertrouwde vormen van de zichtbare wereld bleken niet in staat om innerlijk ervaren kosmische gebieden uit te drukken. Alleen lijn, vorm en kleur waren voor de kunstenaar in staat de stem van het universum te communiceren. In ‘ Compositie vi ’ liet Kandinsky dit zien. Het was vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en men voelde dat er een grote ramp naderde. Kandinsky maak- te schets na schets om zijn gevoel daarover tot uitdruk- king te brengen en begon na een half jaar met een schilderij dat hij ‘ de zondvloed ’ wilde dopen. Maar na de donkere bruine vlekken linksboven, die als gaten aan- voelden en zijn wanhoop uitdrukten, kon hij niet verder. Zijn vriendin raadde hem aan om het woord ‘ zondvloed ’ als een mantra te gebruiken, goed naar de klank te luis- teren en dan te zien wat er zou gebeuren. Plotseling begon hij rechts een nieuw centrum te schilderen, ruw, rood-blauw, vol dissonanten en scherpe lijnen. Daarna schilderde hij het doek vol kolkende vormen. Maar op dat moment ontstond links in het midden een lichte plek, als stoom waarin een vage figuur ronddool- de. Deze figuur was ‘ergens’, maar ook ‘nergens’. Zo schilderde Kandinsky zichzelf als rustend in het tumult van zijn gevoelens en kon hij al schilderend accepteren wat er te gebeuren stond. Hij werkte dat verder uit door de dramatische lijnvoering te temperen met speelse paarse vlekjes en eindigde met een kunstwerk dat de toeschouwer nog steeds kan inspireren om door de spanningen en chaos van het moment heen te kijken en de onderliggende rust en vrede te accepteren.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=