15(1)18
Reflectie jaargang ı5 nummer 1, voorjaar 20ı8 24 een boom in zijn tuin aan het omzagen en stortte ter aarde nog vóór de boom kon omvallen. Hij zag kans over het eiland te rijden, de boot te pakken en zich in den Helder te melden bij het ziekenhuis aldaar, van- waar ze hem met gillende sirene naar het mca reden. Bob is grote vent met dik grijs krulhaar en een blozen- de kop. Hij weet niet wat hem overkomt, is zich wild geschrokken en kijkt wanhopig om zich heen. Zo ook de dame naast mij, een raadslid van de gemeen- te Bergen, die me de komende dagen veel informatie geeft over de gemeentepolitiek aldaar. En er is Rien, een ingenieur die een hoge positie had voor hij het slacht- offer werd van een herseninfarct. Nu draagt hij lang haar en lijkt heel bewust ver van de wereld weg. Hij ligt tegenover mij vanwege met een hartcomplicatie. Rien praat in eenvoudige taal. Hij is heel direct en op een bepaalde, originele manier intelligent. Omdat ik langere tijd op die zaal verblijf verwelkom ik iedere nieuwkomer en zwaai de vertrekkers uit. Mensen worden uit hun dagelijkse situatie gelicht, komen vol- slagen onthutst en kwetsbaar de zaal binnen, ervaren iets waar ze in de verste verte niet op rekenden: een onverwachts en plotseling falen in het centrum van hun lichaam. Schrik, pijn en verwarring. Gezonde kerels vielen opeens om als bloeiende bomen waarvan de wortels plotseling hun greep in de grond verloren. Misschien dat iedereen daarom open is hier en er kort- stondige contacten ontstaan die je in het gewone leven niet vaak treft. Zo niet Mark, die een dag later binnenrolt op een bran- card: een boom van een vent met zware spierbundels en hevig getatoeëerde armen. Hij schuift aan op het bed naast het mijne. Jeetje , denk ik. Mark vertelt me rustig dat hij ex-wereldkampioen gewichtheffen is, dat hij interessante connecties heeft in de onderwereld, lid is van een beruchte motorclub en dat hij niet houdt van gezeik. Hij kijkt mij – toch een gevloerd intelectueeltje, die nog Karel heet ook – geringschattend aan. Maar dan gebeurt er iets dat ik niet voor mogelijk hield. Mark verandert voor mijn ogen. Van het prototype van een macho verandert hij opeens in een milde en ver- licht-wijze man, die mij zegt dat zijn hele gestalte en houding gewoon een fake is waarmee hij de wereld op een verkeerd been zet. Mark blijkt een Leraar te zijn. Zo één die je soms uit de heffe des volks treft, in een drugs- bar of onder een brug. Het zijn Helpers . Mark is een Helper . Zelden zag ik zoveel wijsheid en compassie in een mens. Mark kent het leven en, wat meer zegt: hij kan het leven aan ; hij beheerst het. Ik vertel het aan mijn ex Yvonne, die me regelmatig be- zoekt en de noodzakelijke dingen voor me meeneemt en me bemoedigend toespreekt. Ze glimlacht, ze begrijpt het . Gekategoriseerd En zo nadert de dag waarop ik ‘ gekategoriseerd ’ ga worden, d.w.z. men gaat kijken of er in mij een dotter- behande- ling mogelijk is. Vastgesnoerd op een verstelbaar bed, met allerlei bedradingen en een grote schijf boven mijn hoofd buigt een gemaskerde man zich over mij heen. ‘ Ik ben Fred V., vermomd als cardioloog ,’ zegt hij. En hij steekt iets door de huid van mijn onderarm. Het is een soort flexibel buisje dat hij in een ader naar mijn hart beweegt om zo mijn dichtgeslibde kransslagaders te bereiken. Die wil hij verwijden en er zogenaamde stands in plaat- sen, holle buisjes die de gestagneerde bloedtoevoer op gang moeten helpen. Hij werkt lang en intensief. Dan schudt hij zijn hoofd. Hij toont me de monitor met daar- op de afbeelding van mijn hart met de eronder zwab- berende kransslagaders. ‘ Het gaat niet, daar kan ik niets meer aan doen ,’ zegt hij. Dan doet hij een stap terug en loopt zonder om te zien naar de uitgang van de dotter- zaal. Voordat hij in de deuropening verdwijnt zie ik aan zijn rug dat hij doodvermoeid is. Ik zal geopereerd moeten worden ... De operatie en het bijkomen uit de narcose Ik wordt per ambulance naar het vu -ziekenhuis in Am- sterdam gereden. Tijdens het vervoer vertelt de ambu- lancemedewerkster haar belevenissen met slachtoffers die tijdens haar ritten bijna-doodervaringen hadden. ‘ Over een verloop van jaren waren dat er nog héél wat ,’ zegt ze. Die sloegen als het ware bijna hun ogen open uit het hiernamaals en deden er vers uit de hemel verslag van. Ze heeft nooit iets gedaan met die verhalen, er zelfs nooit over nagedacht. Haar interesseert het alleen om, conform haar functie, haar klanten nog in leven af te leveren op de intensive care . In het vu -ziekenhuis rijdt menmij dwars door een enorm hoog en steriel gebouw naar een kamer voor mij alleen. Een dag later arriveert Yvonne aan mijn bed. Hoe ze ’t voor elkaar krijgt weet ik niet, maar ze slaagt erin om tegelijk met de cardioloog, die me gaat opereren, aan mijn bed te verschijnen. Het betreft de chirurg dr. J., één van de weinige cardiologen in Nederland die een open-hartoperatie mag uitvoeren, waarbij het lichaam níét is aangesloten op een hart-longmachine. Dan is het zo ver en hier begint een ander verhaal, het verslag van een lichaam in nood en een mens die dat moet verduren. Mij wordt verteld wat er met me gaat gebeuren. Mijn borst zal bij het sternum in zijn geheel worden opengezaagd en de ribhelften uit elkaar gebo- gen, zodat het hart zal vrijkomen. Dan zal er een ader Meer van deze schrijver Karel Wellinghoff is een schrijver van literaire romans met een spirituele strekking; maar ook schrijft hij boe- ken in de kategorie non-fictie. Recent is van hem verschenen: ‘ Het harde paradijs ’. Over de therapiegroepen, de bloei, de verwikkelingen en de nalatenschap van Osho (Bhagwan Shree Rajneesh). En: ‘ De Grote Ommekeer: over de opkomst van het andere denken, de nieuwe liefde en het onuitsprekelijke geluk’ . Ook zagen o.a. een vijftal boeken over de Katharen de afgelopen jaren het licht, alsmede een trilogie over de spiritualiteit in Nederland.
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=