Reflectie2(1).vp

God als Moeder Paul G. van Oyen De Westerling is opgevoed met het idee dat God een Vader is. Wat een merkwaardige speling van het lot dat we er nog steeds nauwelijks bij stilstaan dat waar een Vader is, er – per definitie – ook een Moeder moet zijn. In het dwangbuis van het monotheïstisch dogma is de polariteit tussen Vader en Moeder verdwenen, hoewel zij niets anders zijn dan Hetzelfde in twee aspecten. Om dezelfde reden is het principe van de drie-eenheid nimmer werkelijk begrepen. Drie aspecten van hetzelfde lijken nog lastiger te zijn dan twee. Waar is zij dan, die Moeder? Het is duidelijk, dat God zelf die Vader en die Moeder is. In werkelijkheid zijn goden en go- dinnen niet elkaars partner, maar aspecten van elkaar. In de Vedische traditie wordt de Godheid altijd beschouwd in sa- menhang met zijn shakti of zijn vrouwelijke kant (aspect). Zo is Lakshmî de vrouwelijke kant van Vishnu. Parvatî of Durga is de vrouwelijke kant van Shiva. Sarasvatî is de vrouwelijke kant van Brahmâ. In de Bhagavad Gita (IX,17) zegt Shrî Krishna: 17. Ik ben de Vader van deze wereld, en tegelijkertijd de Moe- der, de Regelaar, de Grootvader, het Gekende, de Zuivere, de Klank Om en de drie Veda’s. Tegenwoordig is alleen binnen het Hindoeïsme de verering van ‘Moeder’ nog een springlevende traditie. In vergelijking met andere grote godsdiensten van de wereld is dit een uniek fenomeen. In de loop van de geschiedenis is de Moeder altijd in vele vormen vereerd. Neem bijvoorbeeld de Egyptische Godin Isis. Haar Latijnse eretitel is ‘Sterre der Zee’, waarmee in de christelijke traditie Maria wordt aangeduid. Door de Moeder te vereren, kan de ijveraar zich meer rich- ten op de moederlijke aspecten van God, zoals liefde, zacht- moedigheid, geduld, vergevingsgezindheid, kalmte, vertroos- ting, tederheid, en zorg voor de omgeving; de aarde, zo men wil. Alleen langs die kant zal de mens weer tot het levende in- zicht en begrip kunnen komen, dat we allemaal één groot ge- zin vormen met 6,5 miljard broeders en zusters, verspreid over de hele wereld. Verstoken van deze moederlijke kwaliteiten hebben zowel de joods-christelijke traditie als de Islam bijna drie millennia lang de martiale kwaliteiten van God als wreker en als strenge vader vereerd, met alle desastreuze gevolgen van dien. Wellicht is de tijd nu aangebroken hier iets aan te ‘doen’. Niet voor niets leven we nu in het Aquariustijdperk. We weten hoe alles uit God voortkomt en hoe alles tot God terugkeert. Wij zijn Gods kinderen, kinderen van het licht. Ons lichaam is voortgekomen uit onze moeder, verwekt door onze vader en als we moe zijn van het spelen, keren we terug naar huis, naar moeder om te eten en te rusten. In de kosmos is het niet anders gesteld. We komen voort uit Moeder, worden ge- voed door Moeder met haar melk en haar liefde en zorg, en keren terug tot Moeder, wanneer we ‘genoeg hebben’ van al het gedoe van deze wereld. Haar komt alle toewijding, devo- tie, respect en liefde toe, want alleen in die wederkerigheid zal het leven werkelijk stromen. Moederbeelden komen in de werken van de 12de-eeuwse Duitse zieneres, dichteres, en abdis Hildegard van Bingen veelvuldig voor. Hildegard beschrijft de aarde als een moeder die de oorsprong is van alle schepselen. In het ‘Trinitasvisi- oen’ staan cirkels, met daarin een mensenfiguur, omgeven door een blauw vierkant. Dit blauwe vierkant verwijst naar de Moeder. Hildegard spreekt in het ‘Trinitas-visioen’ over Gods Moederliefde die als een omhelzing tot ons komt. Als Moederliefde stelt God zich totaal beschikbaar als voe- dend en behoedend. Door deze goddelijke Moederliefde is de mens in staat zich over te geven aan echte Liefde, waardoor een mens innerlijk schoongewassen wordt. Voegt Hildegard een vrouwelijke persoon toe aan de Vader, Zoon en Heilige Geest? Dezelfde vraag stelde de inquisitie aan Meister Eckhart. Maar zelfs de dogmatiek erkent, dat God liefde is. Dit punt van overeenstemming hebben de mystieken uit de Mid- deleeuwen op creatieve wijze aangegrepen om de Moederkant van God toch haar prominente plaats te geven die haar toebe- hoort in de vorm van de minne . Neem, bijvoorbeeld, de drie- ëntwintigste brief van Hadewijch, waarin zij schrijft: Laat God toch voor jou de enige werkelijkheid zijn waarin Hij zowel God als Liefde (Minne) is. Als je Hem werkelijk kunt be- schouwen als Liefde, dan zul je zelf ook vol Liefde zijn en daarnaar leven. Je zult gaan leren op God als Liefde te gaan vertrouwen. Dat is immers de werkelijkheid. Leef dus intens verenigd met de heilige Liefde; om de Liefde zelf en niet om de ervaring ervan. Door zelf Liefde te zijn zul je in staat zijn alles te doen wat de Liefde je ingeeft . Paul G. van Oyen (1944; ) studeerde rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Na een internationale bankcarrière werd hij in 1990 bedrijfsadviseur en persoonlijke coach. Hij bestudeerde de vroeg- christelijke traditie onder zijn leermeester Leon MacLaren. Thans is hij nauw verbonden aan het centrum voor de filosofie van advaita vedanta in Shringeri (Zuid India), de zetel van ZH Shri Bharati Tirtha, Shankara- carya. Hij is rector van Stichting Centrum Plenum, te Amsterdam. * * * Sint Maarten Carl Milles (Zweden) Foto: Nelly Schouwen-Zaat 7 Reflectie 2(1), maart 2005

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=