Reflectie2(3&4).vp

De positie van de vrouw in de Bijbel en in de kerk van Rome Ronald Engelse Dit artikel is het eerste deel van een reeks studies over vrouwenwijdingen. Uw eventuele reacties zijn welkom. Gelijkwaardigheid Gen 1:27- 29 (vert. N.B.V.) ‘God schiep de mens 1 als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen’…….’ Hij zegende hen en zei: word vruchtbaar en talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag (d.w.z de dieren en de planten ). Dit toont de gelijkwaardigheid van man en vrouw in het oudste, Jahweïtische scheppingsverhaal, het verhaal van de zes scheppingsdagen, waarin de mens op de zesde dag gescha- pen werd. Het is een heel oud verhaal, gebaseerd op voor-Joodse bronnen en in de bijbelse vorm opgetekend vanaf ongeveer 1000 v.Chr. De status subjectionis Honderden jaren later werd door Joodse priesters een tweede (het ‘Levitische’) scheppingsverhaal toegevoegd, dat uiteinde- lijk zijn plaats als Genesis 2 in de canonieke bijbel kreeg. De priesters schreven in een tijd waarin reeds lang de patriarcha- le grote familie de enige samenlevingsvorm was in Israël 2. De verzen Gen 2: 7-24 gaan over de mens en de positie van de vrouw; enkele toonaangevende verzen zijn : ‘God, de Heer, plaatste de mens in de tuin van Eden, om die te bewaken en erover te waken. God de Heer(...) dacht: ik zal een helper voor hem maken die bij hem past. (2 :22): Terwijl de mens sliep, nam hij één van zijn ribben weg (…) uit die rib bouwde God een vrouw en bracht haar bij de mens’. Uit Gen. 2: 22 e.v. werd later door de kerkvaders de status subjectionis (staat van ondergeschiktheid) van de vrouw afge- leid, waarmee de positie van ondergeschiktheid van de vrouw in de maatschappij en vooral in de toenmalige en daaruit voortgekomen Kerken voorgoed werd vastgelegd als een dog- matisch uitgangspunt voor de zich ontwikkelende geloofsleer. Ook andere passages uit de Bijbel bevestigen deze onder- geschikte staat: 1 Cor 11: 7-10 (geschreven door Paulus om- streeks 55 n.Chr.) ‘De vrouw is de luister van de man (de man is immers niet uit de vrouw voortgekomen, maar de vrouw uit de man) en de man is niet omwille van de vrouw geschapen maar de vrouw omwille van de man’. 1 Kor 14: 34: Vrouwen moeten gedurende uw samenkom- sten zwijgen, maar moeten ondergeschikt blijven zoals ook in de wet staat. Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen’. Ef 6:22 e.v.: ‘Vrouwen, erken het gezag van uw man als dat van de Heer ….etc’.’ De liturgie en de ambtsbediening van de canon der H. Mis is in de eerste drie eeuwen van het Christendom geleidelijk ontstaan uit de Joodse riten rond de Paschaviering 3 , met hun mannelijk priesterschap. Ook de Joodse religieuze wetten, waarop de Christelijke gemeenschappen in Palestina zich in de eerste eeuwen baseerden, boden in het algemeen geen ruimte voor vrouwelijke geestelijkheid. Mogelijk was er in sommige andere landen meer vrijheid, omdat daar de voor vrouwen ta- melijk liberale Romeinse wetten en gewoonten bestonden. Maar zeker vanaf het optreden van de kerkvaders (1 e – 4 e à 7 e eeuw) was de georganiseerde Kerk – het Romanum – niet langer de volgster van in de maatschappij bestaande vormen van vrouwendiscriminatie, maar werd zij zelf een bron van steeds strengere regels tegen de activiteit van vrouwen in het openbaar kerkelijke leven. Sporadisch hoort men tot het jaar 1000 nog van diaconessen, presbyterae (vrouwelijke priesters) en zelfs episcopae 4 (vrouwelijke bisschoppen) in de nog ong- esplitste pauselijke Kerk 5 . Sedert ongeveer 1000 n. Chr. kwa- men er geen vrouwen meer te pas bij de altaardienst. Wel waren er nog vrouwelijke leiders in vrouwenkloosters (abdis- sen). Als gevolg van de Franse Revolutie (1789) verdwenen de laatste abdissen uit het Napoleontische Europa; alleen de 12 kloosters van Las Huelgas (Burgos, Spanje) bleven nog tot 1873 onder autonoom vrouwelijke leiding staan. Tot in de zes- tiger jaren van de vorige eeuw was het vrouwen zelfs verbo- den de altaarhoogte te betreden. Toch geen ononderbroken traditie van vrouwenuitsluiting in de Kerk Er bestonden officiële medewerksters (co-workers) in de vroeg-Christelijke missiebeweging. (Er waren b.v. diacones- sen en vrouwelijke zendelingen). In het proces dat uiteindelijk uitliep op de drievoudige ambtsuitoefening (door bisschoppen, priesters en diakenen) werden vrouwen al heel vroeg uitgeslo- ten van betekenisvol kerkwerk in de kerkgemeenten 6 . Het houden van diensten door vrouwen was al verboden in het Nieuwe Testament (1 Tim 2: 11-15) 7 . Men zou kunnen argumenteren dat deze strenge regel alleen of vooral gold voor die bepaalde (heidense) gemeente van Timoteus. Maar latere kerkvoor- schriften uit de 3 e tot 5 e eeuw laten geen twijfel. Toch wordt er gewag gemaakt van vrouwelijke geestelij- ken, ondanks de overheersende kerklering dat ‘vrouwen niet in staat zijn geordineerd ( = tot priester gewijd ) te worden’ . Dat blijkt b.v. uit grafstenen uit die tijd en uit beschrijvingen van een diaconeswijding 8 . Wellicht blijkt hier de lokale (?) invloed van het minderheidsstandpunt van opponerende theo- logen en canonisten, die volhielden ‘dat ieder die gedoopt is, man of vrouw, de priesterwijding mag ontvangen’ 9 . Een voorlopige conclusie Binnen de Kerk van Rome, in overeenstemming met interpre- tatie van Gen 2 en 1Tim 2: 11-12 is er vanaf de kerkvaders 11 Reflectie 2(3&4), december 2005

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=