Reflectie2(3&4).vp

Naar het Tibetaanse dodenboek leert, ontwaarde de ziel van de overledene eerst de demonen. Min of meer daartoe gedwong- en, zag hij zijn verdrongen onvolkomenheden onder ogen. Dankzij de confrontatie ontkrachtte hij ze en veranderden zij in goden. Dan blijken kwelgeesten beschermengelen te zijn. Dat is een van de grote mysteries van leven en dood. Het gedachtegoed van Jung gaf het transformatieproces, uitgehouwen in het Egyptische graniet en verwoord in het Christelijke Onze Vader, een wetenschappelijke basis. Dankzij de confrontatie met datgene wat in de lagere drie verborgen ligt, zijn we in staat via de centrale scharnier (het dagelijkse brood, de ervaringen in de koninginnekamer en de geactiveer- de hartchakra) de drie hogere te doen opleven. Anders gezegd: vanuit het vergeven creëren wij de godde- lijke wil, vanuit de verzoeking het koninkrijk en vanuit het boze de goddelijke Naam. In meer vertrouwde terminologie vertaald genereren we uit het onderbewustzijn het bovenbe- wustzijn, uit het persoonlijk onbewuste het kosmisch bewust- zijn en uit het collectieve onbewuste het goddelijke bewustzijn. Aldus is het heilige zevental hersteld en heeft de Wijsheid haar huis met de zeven zuilen voltooid. *** 1 Vgl. “De Bezinning op de Wijsheid”, die voorafgaand aan de H. Mis uitgesproken wordt: “Ziet, ... de Wijsheid heeft zich een Huis gebouwd; Zij heeft haar zeven Zuilen opgericht, en Zij spreekt …” 2 F. Weinreb: De Bijbel als Schepping , Servire. ISBN 90-6325-261-7 Levenscyclus Uit niets werd iets geboren om van iets naar niets te komen iets is van niets doordrongen want met niets is het begonnen Als dat iets volledig is geïntegreerd is alles wat te leren valt geleerd. Dan zul je weer tot het niets behoren waarin alles ligt beschoren Cora Mossel Uit haar bundel "Levensloop", in eigen beheer uitgegeven 15 Reflectie 2(3&4), december 2005 STANZA’S in een donkere nacht I In een donkere nacht, in smachtende liefde ontbrand, o zalig lot! ging ik op weg, onbespied, mijn huis lag verzonken in rust. II In de nacht, onbedreigd, langs de geheime trap, in vermomming, o zalig lot! In het donker, verborgen, mijn huis lag verzonken in rust. III In die gelukzalige nacht, in stilte, door niemand gezien, onzichtbaar ook voor mijzelf, zonder ander licht, zonder gids, behalve de gloed in mijn hart. IV Dat was het licht dat mij leidde zekerder dan het zonlicht des middags daarheen waar Hij op mij wachtte -Hij die ik zo goed kende - en waar niemand verscheen. V O nacht die mij leidde; O nacht, lieftalliger dan de ochtend; O nacht die de eenwording bracht van de minnaar met zijn beminde, die haar, de beminde, deed opgaan in haar geliefde. VI Tegen mijn borst, met bloemen bezaaid, rein gebleven ter wille van Hem, daar rustte Hij en sliep; en ik liefkoosde Hem, en de ceders wuifden Hem koelte toe. VII Terwijl Zijn haar golfde in de wind die neerdaalde uit de toren sloeg Hij mij tegen mijn nek met Zijn tedere hand, waarop ieder gevoel mij ontvlood. VIII In vergetelheid leefde ik voort, mijn hoofd rustend op mijn geliefde; verloren voor alles en voor mijzelf, en liet mijn zorgen varen tussen de lelies, vergeten. IX O nacht die mij geleid hebt! O nacht, mij liever dan het morgengloren! O nacht die hebt verenigd Beminde met beminde, beminde, opgegaan in de Beminde

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=