Reflectie2(3&4).vp
Ite, Missa Est Hendrik S. de Bruin Toen de bisschoppen Charles Webster Leadbeater en James Ingall Wedgwood in 1918-1919 bezig waren met de herzie- ning der liturgische teksten, hebben ze – wellicht met een broederlijke knipoog naar Rome – aan het eind van de H. Mis het “Ite, missa est” en de daarop aansluitende dankzegging “Deo gratias” (“Gode zij dank”) in het Latijn gehandhaafd. In zijn standaardwerk “De wetenschap der Sacramenten” (1924) ¹ vermeldt bisschop Leadbeater, dat er verschillende the- orieën bestaan over het juiste doel van de voornoemde liturgi- sche tekst, die hij vertaalt met: “Gaat, dit is het wegzenden”. Volgens de bisschop luidt een van die theorieën, dat het “Ite, missa est” in de vroege Kerk vóór de Canon werd gericht tot de doopleerlingen, die weggezonden werden, omdat ze als niet-ge- doopten de H.H. Mysteriën nog niet mee mochten vieren. Aan het slot van de H. Mis werd het “Ite, missa est” dan herhaald, nu dus gericht tot de aanwezigen die allen gedoopt waren. Zelf koesterde de bisschop de opvatting, dat de opdracht “Gaat, dit is het wegzenden” bestemd zou zijn voor de grote scharen engelen, die hun taken van aanbidding en lofprijzing tijdens de Misviering hebben vervuld. Vooral omdat de gebie- dende wijs meervoud (“Ite” = “Gaat”) niet door “o angeli” (“o engelen”) wordt vergezeld, zou zijn opvatting een hemelse vorm van wishful thinking kunnen zijn… De wegzending Interessant zijn de commentaren in andere liturgische handboe- ken. Zo blijkt uit het “Liturgisch Handboek der Oud-katholieke Kerk” (1931), dat in de Oud-katholieke Kerk van Nederland het “Ite, missa est” bij de invoering van de moedertaal in de Misli- turgie vervangen is door “Looft en dankt den Heer”, dat de ge- meente met “Lof en dank zij God” beantwoordt. De benedictijn G. van Nistelrooij komt in “De Mis-Litur- gie” (1949) tot nagenoeg een zelfde vertaling (“Gaat, het is de wegzending”) als mgr. Leadbeater. Daarbij merkt hij op, dat “missa” (“wegzending”) een zelfstandig naamwoord is uit de na-klassieke oudheid, oftewel een nieuwe Latijnse vorm voor “missio” (het wegzenden, de wegzending). En dr. J. Hermans vertelt ons in “De liturgie van de Eucha- ristie” (1979), dat de zegen van de priester aan het einde van de (R.-K.) H. Mis van relatief jonge datum is: “Volgens Romeins gebruik was het geven van de zegen aan het kerkvolk geduren- de zeer lange tijd gereserveerd voor de bisschop; de priester gaf niet de zegen aan het einde van de H. Mis aan alle gelovigen, maar afzonderlijke gelovigen werden op hun verzoek gezegend met liturgische gebruiksvoorwerpen (de kelk, de pateen en het corporale) bij de uittocht van de priester. Tot in de twaalfde eeuw wordt in de liturgische boeken geen melding gemaakt van een algemene slotzegen door de priester vanaf het altaar. De Misliturgie werd aanvankelijk besloten met de wegzen- ding (“Ite, missa est”), welke in het Tridentijnse missaal dan ook nog vóór de zegen stond. In het nieuwe missaal is deze volgorde logischer geworden en derhalve omgekeerd. De wegzending zelf heeft in het nieuwe missaal één formulering: “Ite, missa est”.” Dr. Hermans concludeert, dat “missa” hier de oorspronk- elijke betekenis van “missio” ² (dimissio), (weg)zending, heeft; en dat “missa” in later tijd werd gehanteerd als aanduiding voor de gehele eucharistieviering (vgl. H. Mis ). Voorts wordt in het “Romeins Missaal voor zon- en feest- dagen, Latijn en Nederlands” (1980) het “Ite, missa est” on- juist ‘vertaald’ met “Gaat nu allen in vrede”… Zwaardvechters in actie! In het aprilnummer (2005) van het tijdschrift Iki-Catholica geeft dr. H.A.J.M. Lamers echter een verklaring van het “Ite, missa est”, die ongetwijfeld enkele vragen oproept. Hij neemt ons namelijk mee naar een gevecht tussen twee gladiatoren in een oud-Romeins amfitheater. Daar legt de zwaargewonde en verliezende zwaardvechter zijn wapen neer, strekt zich uit op z’n rug en heft zijn linker- hand op, ten teken dat hij zijn tegenstander om genade vraagt. De overwinnende gladiator mag hem nu gratie verlenen. Maar wanneer de keizer aanwezig is, dan beslist hij en raadpleegt de toeschouwers. Zwaaien dezen met hun zakdoeken, heffen ze hun duimen omhoog en schreeuwen ze daarbij “Mitte” (“Zend heen”), dan heft de keizer zijn duim op en is de overwonnene “missus”, dus heengezonden; dit heeft tot gevolg dat deze be- genadigd is en levend de arena verlaat, aldus de auteur. Wan- neer het publiek echter anders oordeelt, dan schreeuwt het ‘Iugula” (“Maak af”) en zal de keizer dit vonnis met zijn duim omlaag (“pollice verso”) bekrachtigen, waarna de verliezer door de overwinnaar wordt gedood. Volgens dr. Lamers wordt de liturgische eindgroet nu be- grijpelijk in het licht van de gratie voor de overwonnen gladia- tor: wie in het geloof in Christus – “de Overwinnaar van het kwaad en de Verlosser en bevrijder uit de zonde” – de H. Mis bijwoont, krijgt gratie voor z’n zonden. “De priester in zijn rol van oordelende Christus zegt dan tot de aanwezigen (‘ecclesi- a’), dat zij genade hebben gekregen en in (bovennatuurlijk) le- ven mogen blijven. De eindgroet is dan te begrijpen als “Ite, missa est (ecclesia)”, letterlijk: “Gaat, (het kerkvolk) wordt heengezonden”. Te begrijpen als: “Gaat, het kerkvolk krijgt genade en mag in bovennatuurlijk leven blijven”,” aldus de voornoemde schrijver. Voor de hand liggend lijkt mij deze uitleg allerminst, al- leen al vanwege het feit, dat de tekst volgens de opvatting van Lamers immers “Ite, missi estis” [oftewel: “Gaat, gij (kerk- volk) zijt heengezonden”] had moeten luiden, maar dat staat er nu eenmaal niet. Nevenvorm Ik raadpleegde een classicus en hij onderstreepte het al eerder genoemde feit, dat “missa” een latere nevenvorm is van “mis- 16 Reflectie 2(3&4), december 2005
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=