Reflectie2(3&4).vp

Rechtvaardigheid overwint traagheid. Moed overwint toorn Wijsheid overwint wellust Gematigdheid overwint gulzigheid Hoop overwint afgunst Liefdadigheid overwint hebzucht Trouw overwint hoogmoed. Hier moet ik de naam van Alanus ab Insulis noemen. Hij was hij de laatste leraar van de school van Chartres, maar behoorde tot de grootste leraren. Hij schreef het voor die tijd belangrijke boek “Anticlaudianus”. Daarin beschrijft hij nogmaals het werk van de zeven jonkvrouwen. Daarbij krijgen ze vaak een iets andere nuance, meer voor de mens van die tijd; ze hebben als het ware een zekere ontwikkeling doorgemaakt. Invloeden van het christendom zijn soms goed zichtbaar. Ten slotte nog een laatste opmer- king over het westportaal van de kathedraal. Centraal, tussen de zeven jonkvrouwen, vinden we Maria-Sophia . Zij is gehuld in de zon en gekroond met sterren. Haar voeten staan op de maan. Dat laatste is bijzonder, maar geeft een belangrijk aspect van de beoefening van de vrije kunsten. De maansfeer is immers de laat- ste sfeer waarin de mens zich be- vindt op zijn weg naar een nieuwe geboorte! De jonkvrou- wen helpen met hun kunsten de mens om de intenties, waarmee hij op aarde komt, tot vaardigheden te maken. Echt nieuwe ontwikkelingen zijn er m.i. enige tijd haast niet. Zekere verschijnselen, zoals bijvoorbeeld het verhande- len van de zgn. aflaat, wijzen op decadentie. Goed bedoelde aanzetten, zoals die van Luther zijn tot nieuwe kerkorden ver- worden. Onder invloed van het opkomende materialisme – een gevolg van de “Verlichting” – vervaagt, dan wel verdwijnt veel van wat men op religieus gebied moeizaam had verwor- ven. Kerkgebouwen versoberen en attributen en speciale ge- wijde plekken verliezen hun recht en reden van bestaan. Toch is het oude erfgoed wel bewaard gebleven, verborgen voor menigeen, in de schoot van mysteriescholen. In kringen van Duitse theologen en studenten ontstond aan het begin van de 20ste eeuw de Christengemeenschap , een kerkgenootschap dat sterk vanuit een antroposofische impuls werkt. De laatst genoemde kerk heeft geen tradities van vorige ker- ken overgenomen, maar baseert haar rituaal op algemeen chris- telijke, geestelijke werkelijkheid. Daardoor verloopt een dienst ongeveer zoals een katholieke dienst. De indeling van hun “Mensenwijdingsdienst” doet sterk aan “onze “ mis in de VKK denken. Centraal in de eredienst staat de ceremonie aan het al- taar, waar de communie wordt uitgereikt. Aan het gebouw wor- den geen specifieke eisen gesteld, maar een goed en definitief gebouw wordt wel ingewijd, krijgt een “grondsteen”. In diezelfde tijd ontstond uit de Oud-katholieke Kerk in Engeland, bevrucht door het erfgoed van de theosofische be- weging, een nieuw kerkgenootschap, dat we in Nederland de Vrij - katholieke Kerk noemen. Van belang is de apostolische successie, waardoor de geeste- lijkheid direct aangeschakeld is aan de oerchristelijke katholie- ke Kerk. Aan het gebouw zelf worden geen uiterlijke eisen gesteld. In een tot kerk gewijd gebouw zijn wel bijzonderhe- den te onderscheiden. Denk aan de verhoging met daarop het altaar met zijn altaarsteen met juwelen, en de straalkaarsen die met de straalkruisen de ruimte bepalen; en het Maria-altaar. De Eucharistieviering is een sterk rondom het altaar gecon- centreerde gebeurtenis, die geheel in dienst staat van de uitein- delijke communie. Deze kan alleen plaats hebben in de geestelijke tempel die de gemeente steeds opnieuw aan het be- gin van de mis opbouwt, met de Christus als “uiterste hoek- steen”. De kathedraal wordt dus telkens, als men bijeenkomt, op- nieuw gebouwd. Hoge geestelijke machten dragen daar hun steen aan bij. Interessant is, dat bij gelegenheid een processie wordt gehouden in de natuur , buiten het eigenlijke gebouw dus. Nu lijkt de metamorfose te zijn voltrokken; het Onder- werp van aanbidding, dat als een cirkel rondom de mens van toen aanwezig was, is nu als brandpunt in het midden van de gemeente, ja zelfs in het hart van iedere gelovige. Ik probeer het vorige kort en iets abstracter nog eens weer te geven: God schept de mens naar zijn gelijkenis. De mens wandelt in droombewustzijn met de goden. De mens aanbidt de goden in hun verschijning in de natuur. Er wordt een speciale plek in de natuur aangewezen voor de verering van de goden. De goden wordt een huis, een tempel, aangeboden; hierin wonen zij en het volk blijft buiten om hen te vereren. Het heiligdom wordt steeds meer opengesteld en de mens komt steeds verder naar binnen. De priester heeft de gemeente nodig in zijn rituele handeling, want in het heiligdom werken priester en gemeente samen om de Geest van God te ontvangen; de priester is gewijd om daartoe een kanaal te kunnen zijn. Als de gemeente in de natuur delen van de mis viert, ervaart zij de aanwezigheid van God om haar, maar nu ook in haar. De weg van de leerling van de christelijke mysteriescholen leidt tot een wandelen met God; maar dan met volle wil en in vol bewustzijn. Een laatste stap is dan: een wandelen als god. De tempel staat immers tegelijkertijd symbool voor de mens die daarin het goddelijke aanbidt; met het altaar als lichaam en het tabernakel als hart Dit alles overziend, is er in de tijd meer geschied dan groei en metamorfose; deze bewegingen zijn immers aan dimensies ge- bonden. Hier is sprake van een ware ‘omstulping’. Geraadpleegde literatuur. Geschiedenis van de bouwkunstred. J. J. Norwich Atrium Der Mensch und sein TempelFrank Teichmann Urachhaus ChartresW. F. Veltman Vrij Geestesleven De zeven vrije kunsten Frans Lutters Hiram Symboliek in kathedralenbouw M. Gout Mirananda Bovenstaand artikel is een deel van een werkstuk, dat door de auteur gemaakt werd in het kader van de ‘Opleiding’ binnen de Vrij-katholieke Kerk. * * * 21 Reflectie 2(3&4), december 2005 Alanus ab Insulis

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=