Reflectie2(3&4).vp

opwekken, als we ons actief van alle begeerte ontdoen en bereid zijn alles op te geven, ook het religieuze. Alles wat we ons van God voorstellen, wat we als verheffende, mystieke ervaringen be- leefden. Het gaat zoals gezegd om het loslaten van al je spirituele en religieuze overtuigingen. Het donkere uur voor de dageraad Er is geen snelweg naar de hemel, snelle verlichting is er niet bij. Geestelijke groei gaat door een weg van weerstanden. In een interview zei Sri Vasudeva (1) eens tegen mij. “Maar wanneer we beginnen te begrijpen wat er gebeurt, dan staan we toe dat het gebeurt. En dan mogen de tranen komen en we laten de negatieve gevoelens komen. En we gaan ons- zelf niet veroordelen. We beginnen te accepteren, dat het deel is van het reinigingsproces. Dat is wat er gebeurt. Maar als we ons houden aan de discipline van meditatie, van goed gezel- schap, van contemplatie, dan zijn we in staat om ermee om te gaan. Maar het zal zeker komen. En soms als het zo sterk wordt, dan wordt het de donkere nacht van de ziel genoemd. Maar het gezegde is: het donkerste uur is het uur vlak voor de dageraad. Of nadat er storm geweest is, dan komt weer de kalmte. Dus soms wanneer het zo stormachtig wordt, dan moeten we bedenken dat het licht zal komen. Of dat de kalm- te zal komen. Dus wat je nodig hebt, is dat vertrouwen en het geduld om de storm te doorstaan.” Wat is mystiek toch universeel… Het is de volslagen duisternis die ons toch leidt door een donker licht van binnenuit. Doel van de schepping is het leren kennen, ondervinden van zowel goed als kwaad, en dan terug tot de oorsprong, waar alles vandaan komt. De boom van Kennis, Goed en Kwaad, stond niet voor niets in het paradijs, en het eten daarvan was en is noodzake- lijk om verder op het geestelijke pad te komen. De mysticus is in staat tijdens zijn leven die weg naar de eenheid geheel of gedeeltelijk te gaan. Johannes zegt ergens, dat je als klimmer naar de top weer omlaag kunt tuimelen, maar je begint opnieuw de moeizame klim. Die volledige terugkeer is het meest bekend onder de naam Nirvana, die be- ter met alles-zijn dan met niets-zijn verklaard kan worden. De rooms-katholieke theoloog Zaehner legt de nadruk op het dua- listische van de christelijke mystiek – ontmoeting tussen mens en God – tegenover het oosterse monisme, waarin de mens zich van God in zichzelf bewust wordt. Inayat Khan kende beide vormen. De ontmoeting met God als een ander is een stadium, een extase die voorafgaat aan de vrede van eenwording. Khan heeft hier treffende dingen over gezegd en de gelijkenis met Johannes van het Kruis is frappant! “Geloof eerst in God die buiten alles staat en realiseer dan de God die alles omsluit”, zegt hij ergens. Anders gezegd en helemaal in de lijn van Johannes: als er niet eerst een ideaal gevormd is, is er geen doel en geen richting; maar uiteindelijk moet het ideaal zelf weer gebroken worden, omdat het een vorm is, dus beperkt. Komen we er doorheen? Wie een berg beklimt, neemt zo weinig mogelijk bagage mee. Wie de weg naar verlossing en verlichting wil, kan het best totaal leeg zijn, los van alle vroegere beelden, ook wat wij ‘waarheid’ noemen, want waarheid is, zo zei Krishnamurti al, een weg zonder paden. Wat moeten we vaak vechten met de beelden van vroeger om de leegte open te houden in een land zonder weg en licht, ‘waar je jezelf ervaart als zonder God’. Deze nacht is zoals gezegd, hoe paradoxaal ook, God zelf, als we ons dit tenminste laten overkomen, het laten gebeuren en het niet plannen door een cursus of workshop te volgen om verlicht te worden. Dan gaan we het plannen, terwijl het erom gaat je te laten leiden, je er ‘doorheen’ te laten leiden. God leidt ons ‘er doorheen’, maar deze God lijkt echter in niets meer op de be- kende ‘God’. Deze nacht is dus iets wat je zelf kunt opwekken, als je bereid bent je, bewust, van alle begeerte te ontdoen, bereid om alles op te geven, al je ervaringen en denkbeelden. De Bhagavad Gita zegt in dit verband: Wanneer een mens de persoonlijke begeerten en verlangens, die in de geest oprij- zen, achter zich laat en wanneer hij, omdat hij zichzelf is, in zichzelf tevreden is, wordt hij sthitaprajña genoemd: standvas- tig in wijsheid en inzicht, O zoon van Prithâ. Er wordt wat afgeworsteld met die persoonlijke begeerten en verlangens, die ons lijken te ‘bespringen’ op momenten waarop we dat niet verwachten. De Gita leert ons, dat er een uitweg mogelijk is en we ze achter ons kunnen laten, zodat we tevreden worden in onszelf. Het gaat om oeroude, actuele, ja haast therapeutische teksten die ons leren met onze begeerten en verlangens om te gaan en ze niet te verdringen. Paul van Oyen zegt in zijn commentaar op deze tekst: “Voor het ‘achter zich laten’ gebruikt het Sanskriet het woord prajahâti: opgeven, achterlaten, verlaten, loslaten. En zo is het ook. De mens die niet langer gebonden is, heeft nog wel een geest die allerlei wensen en verlangens kan formuleren. Alleen nu zijn het wensen en verlangens die de geest opvangt vanuit de omgeving en niet meer van een innerlijke voorraad aan mo- gelijke wensen. Bovendien is deze mens zo in zichzelf geves- tigd, dat er als het ware een ruimte ontstaat tussen de geest en het getuige-zijn. Het diepe innerlijk van de mens is ‘bekeerd’, is getransformeerd tot het zelf, tot sat-cit-ânanda. In die diepte is er niets anders dan Dat. Alle wensen en verlangens bevin- den zich slechts aan de oppervlakte en zijn oppervlakkig. Het innerlijk is standvastig geworden. Men zou een grote vergissing begaan te denken dat deze staat alleen is weggelegd voor een hermiet of voor de een of andere asceet, die niet langer deel wenst uit te maken van de wereld. Ieder menselijk wezen kan in zichzelf tevreden zijn en boven alle wensen en begeerten uitstijgen. Dat kan in een pa- leis, maar ook in een hutje op de hei. Wie een wijze opzoekt en om wijze raad vraagt, zal dikwijls op dit vers worden gewe- zen. We hebben zelf onze bevrijding in de hand. Waar het om gaat is, dat we ons ontdoen van allerlei bedekkingen die de werkelijkheid versluieren. Die bedekkingen bestaan uit allerlei persoonlijke wensen en verlangens die ons in het spannings- veld van een dualistische en gepolariseerde wereld houden. Vandaar ook de nadruk om het punt van evenwicht te vinden in het midden van onrust en gevaar. Die bedekkingen en de polariteit die er het gevolg van zijn, maken dat we voortdurend heen en weer geslingerd worden tussen plezierig en onplezie- rig. Niemand vindt het moeilijk om met het plezierige om te gaan. De gehechtheid die erdoor ontstaat, nemen we voor lief of we vinden dat doodnormaal. Daarom zien we niet dat we op die manier het onplezierige gratis meekrijgen. Het gevolg is, dat als we in gebondenheid van het plezierige genieten, we 26 Reflectie 2(3&4), december 2005

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=