Reflectie3(1).vp
Bij een negentigjarig bestaan Paul G. van Oyen De Vrij-Katholieke Kerk bestaat negentig jaar. Een respecta- bele leeftijd waarin veel is opgebouwd en veel is gebeurd. De V-K. Kerk heeft haar bron gevonden in de Christelijke en in de Vedische traditie, ontstaan als zij is vanuit het Theosofische gedachtegoed. In de tijd waarin wij leven wordt het verband tussen de Vedântatraditie van de filosoof-hervormer Shankara en het (vroege) Christendom meestal genegeerd. De Christelij- ke traditie is Semitisch geworden of gebleven en lijkt daarmee uitsluitend nog broertje en zusje te zijn van de Joodse traditie en van de Islam. De Vedische traditie is dan heidens en ken- merkt zich door afgoderij in de vorm van Godenverering in een onwaarschijnlijk grote verscheidenheid. Het valt op dat zowel in India als in Europa met een zekere regelmaat stemmen oprijzen en boeken worden gepubliceerd over het thema dat Jezus zijn opleiding heeft gehad in Boeddhistische centra in Kashmir en in Noord-India. In de stad Shrinagar wordt zelfs een graf in ere gehouden dat aan Jezus Christus zou toebehoren, omdat hij niet aan het kruis ge- storven zou zijn, maar slechts schijndood was. Hij zou dan op latere leeftijd weer terug naar India zijn gegaan, na eerst van- uit het verborgene de jonge Christengemeenschap geleid te hebben. Zeker is dat de leer van Jezus Christus en die van Boeddha en van Shrî Krishna op veel punten een meer dan frappante gelijkenis vertonen: zij putten uit dezelfde bron van het onbegrensde, kaivalya (hetzelfde woord als het Latijnse woord ‘coelum’ voor ‘hemel’). We weten allemaal dat er maar één werkelijkheid kan zijn. Dat is de waarheid. Omdat er maar één werkelijkheid is, is er ook maar één waarheid. Een feit valt als feit niet te verloochenen. Petrus trachtte zijn leermeester en zijn discipelschap te verlooche- nen en raakte er geheel ontgoocheld door. Er is maar één waar- heid. Iedere verwijzing naar het tegendeel is slechts schijn. Dikwijls zelfs een schone schijn, vol ‘glitter en glamour’, maar desalniettemin een oppervlakkige, kortstondige schijn. De waar- heid zelf is tijdloos, onsterfelijk, onveranderlijk, altijd hetzelfde, absoluut, en kent geen grenzen. Dit is het Ene zonder tweede; het goddelijke principe dat aan de basis staat van al het bestaan. Jezus zegt hierover in het Johannes Evangelie: Ik en de Vader zijn één . Hij geeft daarmee op zijn eigen, radicale, wijze aan dat er geen tweeheid of spanningsveld is: de mens zelf is goddelijk en onster- felijk. Er is geen verschil tussen Vader en Zoon, tussen oorzaak en gevolg. Daarmee sluit hij naadloos aan bij wat Sokrates de mensen vijfhonderd jaar eerder ook voorhield. Van diezelfde So- krates is overigens bekend, dat hij studeerde onder de hoede van drie Brah- maanse pandits of geleerden, die in die tijd gedurende drie jaar in Athene verbleven. Waren zij wellicht de legendarische wijze vrouw Diotima, de leermeesteres van Sokrates uit het hei- ligdom van Dodona, waarover hij met zoveel ontzag spreekt? Kernpunt van de Semitische traditie is haar patriarchale structuur, die terug te voeren valt op de aartsvaders van de Joodse traditie en op Mozes, die overigens een Egyptische prins was, zoon van de farao Toetmozes II. Daartegenover staat de dynamische structuur van het Creatieve Beginsel als barende Moeder. De schepping is een eindeloos baringsproces en de barensweeën zijn navenant. De schepping is een pijnlijk gebeuren, omdat wat één was nu twee lijkt te zijn. De twee- heid van de schepping is niets anders dan de polariteit tussen actief en passief, tussen positief en negatief of tussen Yin en Yang. Alleen wie leert het geheel van een afstand te beschou- wen, als een getuige, zal zien hoezeer het geheel een illusie is, een schijn. De schepping is een projectie van het Woord dat vlees werd in eindeloos veel ‘woorden’, want aan ieder ding of wezen dat geschapen is, ligt een woord ten grondslag. Er is geen Vader en er is geen Moeder. Er is slechts het Ene zonder tweede. Dat is de werkelijkheid. We weten hoe alles uit God voortkomt en hoe alles tot God terugkeert. Wij zijn Gods kinderen, kinderen van het Licht. Ons lichaam is voortgekomen uit onze moeder, verwekt door onze vader en als we moe zijn van het spelen, keren we terug naar huis, naar moeder om te eten en te rusten. In de kosmos is het niet anders gesteld. We komen voort uit Moeder, worden gevoed door Moeder met haar melk en haar liefde en zorg, en keren terug tot Moeder wanneer we ‘genoeg hebben’ van al het gedoe van deze wereld. Haar komt alle toewijding, devo- tie, respect en liefde toe, want alleen in die wederkerigheid zal het leven werkelijk stromen. Door naar Moeder terug te gaan, keren we weer terug naar huis, naar onze geborgenheid en vei- ligheid. In haar armen vergeten we ons aparte bestaan en dan valt alle tweespalt weg. We komen tot rust en vrede en zijn intens tevreden en dankbaar. Het is de grote verdienste van de Theosofie geweest, dat het Westen is wakker geschud voor deze dynamische kant van onze religieus-filosofische beleving. Sinds de tijd van T. Subbha Row is de Theosofie verbonden geweest met het heiligdom van Shringeri. Verbonden als ik ben met datzelfde heiligdom, wens ik de Vrij Katholieke Kerk veel heil en zegen toe voor het vol- gende decennium. De afgelopen jaren hebben zich gekenmerkt door “schismatische” verschijnselen waarin juist het thema mannelijk en vrouwelijk zo scherp en als tegenstelling naar vo- ren is gekomen. De dynamische kant van ons bestaan is de moe- derlijke zorg en liefde voor al wat leeft. Die liefde en zorg overstijgen alle schisma’s en alle tweespalt. Moge die kant niet alleen dynamisch blijven, maar vooral ook dominant. || 19 Reflectie 3(1) voorjaar 2006
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=